Biotechnologie & Life sciences
Genomics
Krijgt in het biomedisch wetenschappelijk onderzoek en in de gezondheidszorg een steeds grotere plek. Genomics bestudeert alles wat met het erfelijk materiaal - het genoom, genen - van levende wezens te maken heeft: micro-organismen, planten, dieren en de mens.
Zo brengt men op dit moment het DNA in beeld van bijvoorbeeld gist, fruitvlieg, de zeebra-vis, de muis en rat, de chimpansee en de mens. Kennis hierover kan van belang zijn voor onderzoek naar ziekten en aandoeningen en voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen.
Bij genomics wordt (nog) niet met dieren gemanipuleerd.
Genetische manipulatie
Met genetische manipulatie kunnen soortgrenzen worden overschreden en nieuwe erfelijke eigenschappen aan dieren (maar ook aan planten en mensen) worden toegevoegd. In een laboratorium krijgt een embryo met een micro-injectie extra erfelijke eigenschappen ingespoten. De eigenschappen worden direct in een cel van het embryo gebracht, in de hoop dat het DNA van deze cel de ingespoten erfelijke informatie overneemt en uiteindelijk ook in het dier aanslaat.
In de jaren negentig steeg het gebruik van het aantal genetisch gemanipuleerde dieren voor biomedisch onderzoek nog. Sinds 2003 is het aantal weer iets afgenomen en lijkt het zich te stabiliseren. Genetisch gemanipuleerde dieren worden vooral ingezet voor het beantwoorden van wetenschappelijke vragen. Andere doelen zijn de ontwikkeling, productie en controle van vaccins en geneesmiddelen, het testen van de schadelijkheid van stoffen en onderwijs. Evenals bij andere dieren kunnen de onderzoeken ook bij genetisch gemanipuleerde dieren leiden tot pijn, stress en leed.
Jaarlijks worden veel meer genetisch gemanipuleerde dieren gefokt of uit het buitenland geïmporteerd dan er gebruikt worden. Het gaat dan vooral om kleine knaagdieren, zoals muizen en ratten, maar ook konijnen en vooral vissen. Deze dieren worden ‘in voorraad gehouden', maar een groot deel wordt uiteindelijk gedood zonder dat zij in proeven zijn gebruikt. Het in stand houden van een specifieke genetisch gemanipuleerde dierenlijn kost heel veel dieren. Dit is een zeer verontrustende ontwikkeling, omdat het aantal jaarlijks toeneemt.
Het doden van dieren wordt in de Wet op de dierproeven en door het proefdierkundig veld gezien als ‘gering ongerief'. De Dierenbescherming ziet dit echter als een ernstig ethisch probleem dat kleeft aan het gebruik van dieren - al dan niet genetisch gemanipuleerd.
Kloneren
Het kloneren van dieren staat al jaren in de belangstelling van onderzoekers en bedrijven. Met kloneren wil men een groot aantal 'identieke' nakomelingen van een dier met gewenste eigenschappen verkrijgen. In de veehouderij, bijvoorbeeld, wil men varkens en koeien fokken van topdieren die de beste vleeskwaliteit of melk leveren. Andere toepassingen zijn de productie van biomedische eiwitten in de melk van transgene koeien en geiten, maar ook medisch onderzoek naar verouderingsprocessen en giftigheidonderzoek. Kloneren is dus vooral interessant in combinatie met genetische manipulatie van dieren.
Kloneren is niet-efficiënt en leidt tot veel welzijnsproblemen:
- Voor het verkrijgen van één kloon zijn vele embryo's en draagmoeders nodig. De draagtijd is vaak veel langer, waardoor de jongen gemiddeld zwaarder zijn en vaak per keizersnede ter wereld moeten komen. Vlak voor de geboorte sterven meer dieren dan normaal en treedt er regelmatig een onvolledige ontwikkeling van organen op, met allerlei gezondheidsproblemen tot gevolg.
- Als kloneren in Nederland toegepast gaat worden, bijvoorbeeld in de veehouderij, is de kans groot dat de genetische variatie van de veestapel sterk afneemt. Dit maakt de veestapel kwetsbaarder, waardoor de kans groter wordt dat er ziekten uitbreken. Bovendien zullen ziekten zich sneller verspreiden over de veestapel. Mogelijk heeft de genetische uniformiteit (alle dieren hetzelfde) van de veestapel gevolgen voor de sociale verhoudingen tussen de dieren en voor het welzijn van de dieren.
Visie Dierenbescherming
De Dierenbescherming is tegen genetische manipulatie en kloneren van dieren, omdat het in strijd is met de erkenning van de intrinsieke waarde (eigen waarde) van het individuele dier. Er wordt zodanig aan het dier gesleuteld dat het een voor de onderzoeker een ‘menselijk' model wordt van een bepaalde ziekte of aandoening of een waardevolle stof gaat produceren. Maar ook puur uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid kunnen dieren worden gemanipuleerd. In de natuur zal het nooit mogelijk zijn om verschillende diersoorten met elkaar te combineren. Met genetische manipulatie tasten wetenschappers mogelijk de gezondheid en het welzijn van het dier aan, maar ook de uniekheid en de integriteit van de dieren. Dieren worden beschouwd als 'dingen' die naar de wens van de mens kunnen worden aangepast. Genetische manipulatie leidt tot een verdergaande beheersing en 'vertechnologisering' van het dier.
Zorg voor de dieren na uw overlijden en benoem de Dierenbescherming als erfgenaam in uw testament.



