Ethiek
DEC
Het is in Nederland verboden dierproeven te doen tenzij aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Zo moet de onderzoeker eerst een positief advies krijgen van een door de minister erkende Dier Experimenten Commissie (DEC) voordat hij met een dierexperiment mag starten. Een DEC wordt pas erkend als deze voldoet aan een aantal wettelijke voorwaarden:
- Er moeten inclusief de voorzitter minimaal zeven leden in zitten.
- De voorzitter en minstens twee andere leden mogen geen arbeidsverhouding met de vergunninghouder hebben.
- De leden moeten expertise hebben op het gebied van dierproeven, proefdieren, de bescherming van dieren en ethiek en dit moet in evenredige vertegenwoordiging zijn.
- Twee van deze experts mogen niet betrokken zijn bij dierproeven.
- Als er van de andere experts toch leden betrokken zijn bij dierproeven, mogen zij geen advies uitbrengen.
- Een proefdierdeskundige van de instelling zal als adviseur bij het advies betrokken moeten worden.
Uitgangspunt van de Wod is de erkenning van de intrinsieke waarde van het individuele dier. Dit betekent dat rekening gehouden moet worden met de belangen van het dier, met diens gezondheid en welzijn. Echter, aan een dier dat als 'model' in biomedisch onderzoek wordt gebruikt, wordt eerder een nutswaarde ofwel een 'instrumentele' waarde toegekend. Daarmee staat in eerste instantie niet het belang van het dier centraal, maar het doel dat we via (het gebruik van) het dier willen behalen. Het is aan de DEC om toch zo veel mogelijk de belangen van het dier te waarborgen tegenover het belang van het onderzoek.
De verplichting tot de toetsingsprocedure van de DEC is in de wijziging van de Wod in 1996 definitief vastgelegd. De toetsing is niet openbaar en DEC-leden zijn wettelijk verplicht tot geheimhouding. De discussie over open(baar)heid en transparantie van DEC's woedt binnen het onderzoeksveld al geruime tijd. Hoe deze discussie uitpakt, is mede afhankelijk van eventuele wijzigingen van de Wod, maar ook van de Europese wetgeving op dit terrein - de Richtlijn 86/609.
Visie Dierenbescherming
Dierproeven mogen niet vanzelfsprekend zijn. Bovendien worden zij gedaan in het belang van de samenleving, voor haar gezondheid, veiligheid en voor die van dieren en het milieu. Daarom vindt de Dierenbescherming dat er meer openheid en openbaarheid moet zijn over dierproeven. Het publiek moet kennis kunnen nemen van dierproeven om er een evenwichtig oordeel over te kunnen vellen.
Uit een opinieonderzoek in 2004, uitgevoerd in opdracht van de Dierenbescherming, is gebleken dat het publiek vindt dat er gedetailleerde informatie beschikbaar moet zijn over dierproeven. Er wordt vaak te makkelijk van uitgegaan dat het (geïnteresseerde) publiek dierproeven grotendeels gerechtvaardigd vindt. Dit zou zeker gelden voor mensen die ervaring hebben met chronische ziekten van henzelf, familie of omgeving. Zo zwart-wit ligt het echter niet, zo blijkt uit het onderzoek. Burgers zijn kritisch en is niet zo maar voor of tegen; men laat het oordeel afhangen van bepaalde voorwaarden en omstandigheden.
Twee factoren spelen een doorslaggevende rol:
- hoe hevig is het lijden van de dieren?
- voor welke doeleinden wordt de proef uitgevoerd?
Dan blijkt dat ca. 75 procent dierproeven afwijst als dieren ernstig moeten lijden ook als het gaat om de ontwikkeling van een geneesmiddel voor een ernstige chronische ziekte. Bij proeven voor niet-medische doeleinden keldert de acceptatie nog verder. Ook de diersoort maakt dan nauwelijks nog verschil, men is dan even afkeurend als het zou gaan om muizen, honden, katten of apen.
In onze webwinkel vindt u een scala aan (diervriendelijke) cadeau-artikelen, waarvan de opbrengst ten goede komt aan ons werk voor de dieren.




