Nederlandse wetgeving
Wet op de dierproeven en Dierproevenbesluit
Dierproeven zijn in Nederland in principe verboden, wat betekent dat er een ‘nee, tenzij'-beleid aangehouden wordt. Onderzoekers en instellingen die dierproeven willen doen, moeten aan diverse eisen en voorwaarden voldoen. Deze staan beschreven in de Wet op de dierproeven (Wod) en in het Dierproevenbesluit (Db). De Wod trad in 1977 in werking en werd in 1996 gewijzigd. In 2005 is de wet opnieuw geëvalueerd en zal hoogstwaarschijnlijk weer worden gewijzigd. Hoe zij gewijzigd zal worden en wanneer dit gebeurt, hangt grotendeels af van de wijziging van de Europese wetgeving op dit gebied (zie bij Europese wetgeving). Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is de eerst verantwoordelijke voor dit dossier.
Vergunning
Voor het doen van dierproeven moet een instelling of onderzoeker een vergunning van het ministerie van VWS aanvragen. Die wordt eenmalig, onder voorwaarden afgegeven voor onbepaalde tijd. Zo zijn er in Nederland verschillende typen vergunninghouders: universiteiten met talloze onderzoeksafdelingen, farmaceutische bedrijven, kleinere onderzoeksinstellingen en scholen. Aan de vergunninghouder worden allerlei voorwaarden opgelegd wat betreft de inrichting van de onderzoeksruimten, verblijfruimten van de dieren, de verzorging van de dieren en het toezicht op zowel het onderzoek als op bovengenoemde aspecten. Deze vereisten staan beschreven in het Dierproevenbesluit (Db).
Controle
De controle op de naleving van de Wet is de verantwoordelijkheid van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). Inspecteurs brengen jaarlijks een aantal (on)aangekondigde bezoeken aan de vergunninghoudende instellingen. De vergunninghouder dient eveneens aan de VWA gegevens te verstrekken over de dierproeven die zijn verricht. Deze worden opgenomen in de jaarlijkse rapportage ‘Zodoende'.
Ethische toets
Voordat een onderzoeker aan een dierexperiment mag beginnen moet deze een uitgebreid onderzoeksprotocol voorleggen aan een (meestal) lokale Dier Experimenten Commissie (DEC), die vervolgens een ethische toets verricht. Pas bij een positief advies mag de onderzoeker met zijn experiment beginnen. Maar niet iedereen mag zomaar een dierproef doen. In de Wod en het Db staan opleidingseisen beschreven, waaraan de onderzoeker moet voldoen. Hetzelfde geldt voor degenen die de dieren verzorgen of kleine handelingen aan dieren mogen verrichten, zoals het afnemen van bloed.
Proefdierdeskundige
Een bijzondere rol is weggelegd voor de zogenoemde Proefdierdeskundige ofwel de artikel 14-functionaris. Deze rol staat beschreven in artikel 14 van de Wod. Deze persoon dient na een universitaire opleiding op medisch, biologisch of diergeneeskundig terrein nog een specifieke opleiding van een jaar gevolgd te hebben. Het welzijn van het dier is min of meer in handen van de proefdierdeskundige.
Doelen
In de Wod staat eveneens beschreven voor welke doeleinden dierproeven mogen worden verricht:
- proeven in het kader van biomedisch onderzoek: voor het bestuderen van ziekten en het ontwikkelen van medicijnen en therapieën;
- proeven die zowel nationaal als internationaal wettelijk verplicht zijn: dit zijn voornamelijk giftigheidtests in het kader van veiligheid: denk aan verf- en schoonmaakmiddelen, stoffen verwerkt in huishoudelijke producten en chemische stoffen in landbouw en industrie. Maar ook worden er tests gedaan om te zien of stoffen wel werken, denk aan geneesmiddelen, vaccins en medische producten;
- proeven uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid: zo worden er dieren uit het wild gevangen en voor giftigheidtests gebruikt, maar ook worden ze gemerkt en weer teruggezet in hun leefomgeving om hun gedrag of de grootte van hun territorium te bestuderen.
Besluit biotechnologie bij dieren
In Nederland mogen onderzoekers niet zomaar zelf dieren genetisch manipuleren. Wil een onderzoeker dat wel zelf doen dan moet hij zich houden aan een belangrijke wet:
- Besluit biotechnologie bij dieren (Bbd) van 1997, als Hoofdstuk IV, artikelen 66-72 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD).
Nee, tenzij...
Niet het ministerie van VWS, maar het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is hiervoor verantwoordelijk. Net als bij de Wet op de dierproeven (Wod) geldt ook hier het uitgangspunt dat biotechnologische handelingen aan dieren in principe verboden zijn, ténzij er een fundamenteel belang is voor de (gezondheid van) de mens én er geen alternatief is (het zogenoemde ‘Nee, tenzij'-beleid). In het 'Besluit biotechnologie' zijn de regels opgenomen voor het uitvoeren van biotechnologische handelingen bij dieren.
Wijziging
Het Besluit is in 2000 geëvalueerd en gewijzigd en zal op basis van een tweede evaluatie in 2005 opnieuw worden aangepast. Het is nog niet duidelijk hoe en wanneer dit zal gebeuren, omdat het mede afhankelijk is van wijzigingen in andere wetten (de Wod en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren). Mogelijk wordt het Besluit deels overgenomen in de nieuwe Wet dieren, worden andere onderdelen overgenomen in de wijziging van de Wod en komen andere aspecten te vervallen.
Inspraak bij vergunningen
Voordat de minister definitief besluit over een vergunning, vraagt zij eerst advies aan de centrale Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD). De CBD brengt binnen zes maanden een voorlopig advies uit. De minister neemt daarop een voorlopig besluit. De minister is verplicht dit besluit samen met het advies van de CBD en de aanvraag van de onderzoeker openbaar te maken. Iedereen die bezwaar wil maken tegen een biotechnologisch onderzoek, kan zijn bedenkingen schriftelijk indienen en/of mondeling op een hoorzitting uiten. Deze bedenkingen moet de CBD meenemen in een definitief advies aan de minister die daarop uiteindelijk een definitief besluit neemt. Is dit positief, dan mag de onderzoeker met zijn handelingen beginnen.
Openbaarheid moet blijven
Met de wetswijzigingen die anno 2008 op stapel staan, is het de vraag in hoeverre de openbaarheid omtrent dierproeven met genetisch gemanipuleerde dieren zal blijven bestaan. Hierover wordt in het onderzoeksveld vurig gediscussieerd. De Dierenbescherming is van mening dat deze maatschappelijke verworvenheid, waarmee in principe door de onderzoeker aan het publiek verantwoording wordt afgelegd over dierproeven, niet verloren mag gaan.
In onze webwinkel vindt u een scala aan (diervriendelijke) cadeau-artikelen, waarvan de opbrengst ten goede komt aan ons werk voor de dieren.




