Welzijnsproblemen varkens
Zeugen
Krappe ligbox
Veel zeugen leven in een krappe ligbox waarin zij zich niet kunnen omdraaien. Gevolg is een gebrek aan bewegingsvrijheid en sociale contacten. Zeugen kunnen 12 à 15 jaar worden.
In de 70'er jaren ging een zeug in de varkenshouderij nog zo'n vijf tot acht jaar mee, maar tegenwoordig worden ze al na twee tot tweeënhalf jaar afgevoerd en vervangen: wegens slechte voortplanting, slecht beenwerk (kreupelheid), ziekte of sterfte. De uitval als gevolg van ziekte en sterfte is ca. 3 procent per jaar.
Groepen
Uiterlijk in 2013 moeten alle zeugen in de EU in groepen gehuisvest worden (in Nederland wordt anno 2008 al meer dan de helft van de zeugen in groepen gehouden). Individueel opsluiten mag vanaf 2013 dan nog slechts vier dagen rond het dekken of insemineren en in het kraamhok. De vloer mag voor het grootste deel (60%) uit rooster bestaan en een zachte ligbedding van stro of ander strooisel op het dichte vloerdeel is niet verplicht.
Zeug met biggen
Kraamhok
In de bio-industrie wordt de zeug enkele dagen voor de uitgerekende werpdatum opgesloten in een kraamhok met een oppervlakte van 4 m2 met een volledige roostervloer. Hierin wordt de zeug tussen stangen opgesloten op 1,3 m2, zodat ze zich niet kan omdraaien en ternauwernood kan gaan liggen en staan. De zeug krijgt geen mogelijkheid een nest te bouwen, maar heeft hiertoe zo'n sterke aandrang dat ze schijnnestbouw- en gefrustreerd gedrag vertoont.
Roostervloer
De biggen worden geboren op een roostervloer zonder enig strooisel. Wettelijk is voorgeschreven dat er een biggennest moet zijn op een stukje dichte vloer van 0,6 m2 met strooisel. Het nest bestaat in de praktijk meestal uit een stukje dichte vloer of een rubbermat op de roostervloer met wat zaagsel. De biggen worden hierheen gelokt met een warme lamp boven of vloerverwarming onder het nest. De ideale temperatuur voor de biggen ligt rond de 30 °C, terwijl die voor de zeug ligt rond 18 °C.
Doodliggen
De eerste drie dagen lopen de biggen grote kans op onderkoeling, of op doodliggen door de zeug, omdat ze voortdurend bij de zeug willen zijn. Om doodliggen te voorkomen wordt de zeug de hele kraamperiode tussen twee stangen opgesloten, terwijl het risico op doodliggen na drie, hooguit vijf dagen weg is. Gemiddeld haalt 10 procent van de biggen de leeftijd van vier weken niet, voor ongeveer de helft door doodliggen en voor ongeveer de andere helft doordat de zeug onvoldoende voeding of voeding van onvoldoende kwaliteit geeft.
Gevechten om de rangorde
Gevechten om de rangorde vinden al plaats vanaf dat de biggen bij hun moeder melk drinken. De tepelrangorde bepaalt uiteindelijk de sociale rangorde. Het spelen en stoeien van de biggen is van belang voor het aanleren van normaal sociaal gedrag. De huidige kraamstallen bieden echter weinig ruimte, waardoor een verliezende big zich moeilijk kan terugtrekken en stoeien ontaart in vechten. De biggen leren zo geen goed sociaal gedrag. Later kan dit tot sociaal gestoord gedrag leiden.
Voortijdig sterven
In de intensieve veehouderij werpt een zeug gemiddeld 2,3 keer per jaar een toom van 11,1 levende biggen. Ongeveer 13 procent van de biggen sterft tussen geboorte en aflevering aan de mesterij na tien weken. Ongeveer 10 procent sterft in de zoogperiode (ca. 5% door doodliggen en ca. 5% door voedingsgebreken) en 2,9 procent na spenen, zodat het gemiddeld aantal biggen per zeug per jaar 21,7 is. Uiteindelijk haalt van de biggen 80 procent het slachthuis - 20 procent is voortijdig gestorven.
Gespeende biggen
Speenshock
Biggen worden standaard in de eerste week gecoupeerd (staart) en gecastreerd. Als ze elkaar of de zeug daarmee kunnen verwonden, worden de hoektanden geslepen. Het weghalen bij de moeder gebeurt veel te vroeg. De pasgeboren biggen worden al na drie á vier weken gespeend. Dit leidt dikwijls tot een ‘speenshock' bij de biggen als gevolg van diverse stressfactoren, zoals scheiding van de zeug, acute geforceerde overgang naar vast voer en vaak verplaatsing en menging met andere biggen. Veel voorkomend gevolg zijn darminfecties en diarree (men spreekt van speendiarree).
Opfokhokken
Na het spenen gaat de zeug naar de dekstal voor een volgende reproductiecyclus. Op de meeste bedrijven gaan de biggen direct naar speciale opfokhokken, waar ze tot een leeftijd van tien weken blijven. In deze hokken worden ze met acht á twaalf of in een grotere groep tot wel vijftig dieren gehouden, met 0,3 m2 per big op volledige of gedeeltijke roostervloer, zonder stro of ander materiaal. Ze hebben onbeperkte beschikking over voer en drinkwater. Vanaf 2013 is een minimumoppervlak van 0,4m2 per big verplicht.
Hoge sterftecijfers
Het opfokhok vormt een prikkelarme omgeving met een hoge bezettingsdichtheid. Dat geeft infectiedruk en gedragsproblemen zoals onderlinge agressie, sociale stress en staartbijten. Dit risico wordt nog groter als verschillende groepen biggen worden gemengd. In het biggenopfokhok treedt een sterfte op van 3 á 5 procent bij. Pootgebreken en infecties zijn daarbij een belangrijke doodsoorzaak.
Mest- of vleesvarkens
Mestperiode
De biggen gaan op een leeftijd van 10 weken en een gewicht van ca. 25 kg naar een mest- of vleesvarkensstal. De meeste bedrijven hebben hokken waarin de dieren in groepen van tien á twaalf gedurende de hele mestperiode van bijna vier maanden verblijven. In die periode groeien de varkens met zo'n 800 gram per dag tot een slachtgewicht van 100 kg.
Gedragsproblemen
De varkens verblijven in een prikkelarme omgeving op een gedeeltelijke roostervloer (max. 60% rooster). Naast bevuiling van lig- en vreetplaats, een hoge infectiedruk en ziektes, leidt dit tot gedragsproblemen, zoals onderlinge agressie, sociale stress en staart-, flank- en pootbijten.
Afleidingsmateriaal
Er is enig afleidingsmateriaal voorgeschreven. Tot voor kort hingen de meeste boeren een ketting in de stal, maar het is bekend dat de varkens hier opuitgekeken raken en sinds half 2007 moet er gevarieerder en beter afleidingsmateriaal worden gegeven. De praktische invulling hiervan is nog heel divers en komt nog lang niet tegemoet aan de behoeften van de varkens.
Hoe zorgt u voor de dieren na uw overlijden? Benoem de Dierenbescherming als erfgenaam in uw testament.




