Hoeveel pluimvee moet er nog aan vogelgriep sterven?

Lisanne Stadig Door Lisanne Stadig Beleidsmedewerker veehouderij 3 december 2020

Er is weer vogelgriep in Nederland. Al 509.000 kippen en eenden zijn ‘geruimd’: in de stal vergast en naar de destructie afgevoerd. En het vogelgriepseizoen is nog niet ten einde. Hebben we dan niets van de vorige vogelgriepuitbraken geleerd? Jawel, en er wordt gewerkt aan het meer voorkomen en beperken van vogelgriep. Maar de moeilijkste maatregelen moeten nog uitgevoerd worden, zoals pluimveebedrijven weghalen van locaties met wilde watervogels en een vaccin tegen vogelgriep ontwikkelen.

509.000 kippen en eenden voortijdig gedood, het gaat om zoveel dieren dat het een abstract getal wordt. Buiten de pluimveesector, die hierdoor mentaal en economisch zwaar getroffen wordt, is hiervoor niet veel aandacht. Niet verrassend aangezien dat andere virus het nieuws domineert. Als er al aandacht voor vogelgriep is, gaat het meestal over de vraag of dit een nieuwe pandemie kan veroorzaken.

Gevaarlijke vogelgriep ontstaat vaak in pluimveehouderij

Een bijna ‘standaard’ jaarlijkse vogelgriep zoals we die nu kennen is er niet altijd geweest. In dit artikel legt hoogleraar virologie Thijs Kuiken uit dat laagpathogene vogelgriep al millennia voorkomt onder wilde watervogels, maar dat ze hier nauwelijks last van hebben. Door mutatie van zo’n laagpathogeen virus kan een hoogpathogeen vogelgriepvirus ontstaan (HPAI), waar vogels wel ziek van worden. Zo’n mutatie kwam weleens voor onder wilde vogels, maar kon zich meestal niet verspreiden, omdat de besmette vogel eraan bezweek voordat hij een soortgenoot kon infecteren.

leghennen beter leven keurmerk

Dat ligt anders in de pluimveehouderij. Op kleine pluimveebedrijven in Azië kan HPAI ontstaan en vervolgens door trekvogels naar Europa worden gebracht, waar het pluimveestallen kan besmetten. Daarnaast kunnen onder de tienduizenden dieren in de Europese pluimveestallen laagpathogene virussen muteren in een hoogpathogene variant. Soms zijn die virussen ook gevaarlijk voor mensen. Dat was in Nederland het geval in 2003, en ook de Spaanse griep in 1918 was van origine een vogelgriepvirus.

Minder dieren, meer ruimte

Hoogleraar virologie Ron Fouchier classificeert de huidige Nederlandse pluimveehouderij in de Keuringsdienst van Waarde als ‘zeer risicovol’ als het gaat om de kans op het ontstaan van een zoönotische variant. Volgens Kuiken werken extra bioveiligheidsmaatregelen om te voorkomen dat het virus in een pluimveestal komt maar tot op zekere hoogte: je kunt stallen niet potdicht maken. Daarnaast is dat ook niet wenselijk, omdat frisse lucht en uitloop positief zijn voor het dierenwelzijn. Ook de bijna jaarlijkse ophokplicht biedt niet genoeg bescherming tegen vogelgriep gezien het feit dat dit jaar alle HPAI-uitbraken plaatsvonden nadat de ophokplicht was ingesteld. Wat wel werkt volgens de virologen: minder pluimvee houden, in een minder hoge dichtheid. En vaccineren.

Langetermijnbeleid

Er wordt wel gewerkt aan oplossingen. Een groot deel van de actiepunten uit de Roadmap Strategische Aanpak Vogelgriep uit 2019 is intussen afgerond of lopende. Ruimingen gebeuren nog wel preventief in een straal van 1 km rond een besmet bedrijf, maar eerder was dit gebied groter. Juist de punten die volgens genoemde virologen echt het verschil maken – een lagere pluimveedichtheid en vaccineren – zijn de moeilijkste om op te pakken.

Vaccinontwikkeling zit in vast in een vicieuze cirkel. Er zijn vaccins, maar die zijn niet goed genoeg en kunnen besmettingen maskeren. Daarom zijn er handelsbeperkingen voor gevaccineerde dieren: landen willen vrij blijven van vogelgriep, kunnen gevaccineerde dieren niet van besmette dieren onderscheiden, en importeren daarom geen (producten van) gevaccineerde dieren. Door die handelsbeperkingen is het voor farmaceuten niet interessant om aan betere vaccins te werken. En zolang er geen goed vaccin is, is het lastig om handelsbeperking op te heffen. Dit probleem moet dus internationaal van verschillende kanten aangepakt worden.

In Nederland kunnen provincies en gemeenten bewuster worden gemaakt van hun rol in de preventie van vogelgriep: zorg dat er geen pluimveebedrijven bij grote wateren worden gebouwd en dat bestaande bedrijven worden uitgekocht of verplaatst. Net zoals bij de aanpak van stikstofproblematiek zouden rijksoverheid en provincies hier geld voor moeten uittrekken. Daarnaast heeft de rijksoverheid een paar miljoen euro uitgetrokken om bedrijven te extensiveren. Uit die pot zouden pluimveehouders geholpen kunnen worden om over te stappen op marktconcepten waarin meer voor kip en eieren wordt betaald, zodat met minder kippen een goede boterham kan worden verdiend. Dat is uiteindelijk beter voor de boer, de burger en het milieu, en zeker voor die miljoenen kippen die dan niet meer geruimd hoeven te worden.