10 jaar Beter Leven keurmerk

Als je iets wilt bereiken, moet je initiatief tonen en je nek durven uitsteken. Maar hoe ver ga je? Verloochent de Dierenbescherming haar principes als ze samenwerkt met producenten en aanbieders van vlees? Het succes van het Beter Leven keurmerk bewijst het tegendeel. Tien jaar na de introductie van ons eerste serieuze alternatief voor de plofkip maken we de balans op. Succes smaakt naar meer. Want eerlijk is eerlijk: voor de miljoenen 'sterloze' dieren in de vee-industrie is er nog een wereld te winnen.
 
Het was een spannende maandagochtend. Toenmalig minister Cees Veerman van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zou op 15 januari 2007 in aanwezigheid van de pers de eerste niet-biologische, maar wél diervriendelijker geproduceerde kip uit handen van de Dierenbescherming in ontvangst nemen. Een hele kip, in een cellofaantje, en voorzien van het logo van de Dierenbescherming. Of, beter gezegd: met één ster van het Beter Leven keurmerk van de Dierenbescherming. Zoiets was nog nooit vertoond.

Er was moed en doorzettingsvermogen nodig, maar nu we de grens bereiken van 100 miljoen dieren die we sinds de introductie van het keurmerk een beter leven hebben gegeven, zie je aan de feiten dat we het bij het rechte eind hadden.

Spannend
Spannend, want "ongetwijfeld zou er kritiek komen", herinnert Marijke de Jong van de Dierenbescherming zich. "Ons logo op een dood dier, op een stuk vlees, stel je voor." Marijke is nu de programmamanager die verantwoordelijk is voor het succesvolle Beter Leven keurmerk, maar was in die tijd als beleidsmedewerker al nauw betrokken bij gesprekken met het bedrijfsleven over het verschrikkelijke leed dat doorgefokte vleeskuikens, ofwel 'plofkippen', werd aangedaan. "Die te verwachten weerstand bij de presentatie van ons keurmerk in 2007 zat 'm er onder meer in dat dat sommigen vinden dat je dieren pas echt helpt als je ze niet opeet, of op z'n minst reclame maakt voor alléén biologische producten. Zo is het in een ideale wereld, maar de realiteit is helaas anders."

Knokken voor dieren
Uiteraard mikt de Dierenbescherming op een zo groot mogelijke uitbreiding van de biologische veehouderij, waarbij optimaal rekening wordt gehouden met het welzijn van de dieren, ten koste van de gangbare vee-industrie. "We werken al jaren samen met deze sector en roepen dat mensen niet iedere dag vlees zouden moeten eten," stelt Marijke. "Maar het zou in onze visie onaanvaardbaar zijn als er dan niemand knokt voor de miljoenen dieren die niet-biologisch worden gehouden.” Voor deze dieren geldt weliswaar dat er wetgeving bestaat om ze te beschermen tegen verdere uitbuiting, maar daarmee is alles gezegd. "De controle op de naleving laat veel te wensen over en zoals we weten is er nogal wat mis in de gangbare vee-industrie. Krappe hokken, weinig afleiding en dieren die zijn verworden tot dingen die je consumeert.”

Enorm gat
Als Dierenbescherming hebben we de biologische veehouderij en het consumeren van minder vlees altijd gestimuleerd en gepromoot, maar daar bereik je slechts een kleine, bewuste groep consumenten mee. “Het marktaandeel van de biologische sector was tien jaar geleden, en is eigenlijk nog steeds, erg klein; bij kip minder dan één procent en bij varken misschien drie procent. Scharrel was er vrijwel niet." Volgens Marijke bestond er een enorm gat tussen wat goedkoop en gangbaar was en aan de minimale wetgevingseisen voldeed, en het duurdere biologische aanbod. "Wij concludeerden toen dat er wat nieuws moest komen om het voor boeren en consumenten haalbaar te maken om diervriendelijker te werken en te winkelen.”

Wij krijgen vaak de vraag waarom de Dierenbescherming haar logo op vlees zet. Wie dieren wil beschermen, eet ze niet op. En dat klopt. Maar wij vinden het ook onaanvaardbaar als niemand zou knokken voor de miljoenen dieren die wegkwijnen in de vee-industrie.

Goedkope bulk
Letterlijk iets tussen biologisch en de goedkope bulk van de vee-industrie in. In de beleving van de Dierenbescherming was dat de enige manier om een grote groep consumenten weg te trekken van de vee-industrie en daarmee het welzijn van miljoenen dieren te verbeteren. Wat je dan nodig hebt, is een productiewijze die misschien nog niet zo optimaal rekening houdt met alle aspecten van dierenwelzijn als de biologische sector, maar toch aanmerkelijk diervriendelijker is dan de 'gewone' vee-industrie. De Dierenbescherming koos hiermee voor de weg van de geleidelijkheid om praktisch en realistisch tot verandering te komen. Het credo 'Minder, én beter' staat daarbij centraal, zeker voor de lange termijn. "Het is zo simpel", vindt Marijke. "Als er minder dieren worden gegeten, hoeven er minder te worden gehouden, die je dan wél een beter leven kunt gunnen. Met meer ruimte en gelegenheid om natuurlijk gedrag te vertonen.”

Weerstand
Hoe logisch dit ook klinkt, de weerstand tegen de plannen van de Dierenbescherming was tien jaar geleden groot. Niet alleen de achterban stelde zich constructief-kritisch op, ook goed bekeken consumentenprogramma's en collega-dierenwelzijnsorganisaties waren allesbehalve mals in hun kritiek en schroomden niet om de Dierenbescherming publiekelijk aan te vallen. Inmiddels is de kritiek verstomd en de oppositie veranderd in steun. "Er was moed en doorzettingsvermogen nodig, maar nu we dit jaar de grens bereiken van 100 miljoen dieren die we sinds de introductie in 2007 een beter leven hebben kunnen geven, zie je aan de feiten dat de Dierenbescherming het bij het rechte eind had," stelt Marijke.

Er waren onderzoeken waaruit bleek dat vleeskuikens dusdanig waren doorgefokt dat ze onder meer pijnlijke pootproblemen en vochtophoping in hun buik hadden. Ze groeiden letterlijk dood.

Sterkere dieren
Volgens haar was na varkenspest, MKZ en vogelgriep de tijd rond de eeuwwisseling rijp voor verandering. “Sterkere dieren moesten er komen. Er waren onderzoeken waaruit bleek dat vleeskuikens dusdanig waren doorgefokt dat ze onder meer pijnlijke pootproblemen en vochtophoping in hun buik hadden. Ze groeiden letterlijk dood. Ik ben toen met de veevoederindustrie en Universiteit van Wageningen met subsidie van de overheid gaan kijken of we konden komen tot een langzamer groeiend en dus weerbaarder vleeskuiken. Er volgde een drie jaar durend onderzoek waarbij ik óók aandacht wilde voor verbetering van de stallen van de dieren. Toen organisaties als de boerenkoepel ZLTO, pluimveebedrijf Plukon en slachterijen zich vervolgens aansloten, werden onze ideeën steeds realistischer.”

De sterren op de verpakkingen van vlees, kip en eieren stellen ons in staat stellen om diverse gradaties van diervriendelijkheid uit te drukken.

Overdekte uitloop
Marijke maakt duidelijk dat ze niet over één nacht ijs zijn gegaan. "We hebben kostprijsberekeningen gemaakt met de nieuwe kip en stalconcept mét overdekte uitloop, want dat was toen al een belangrijke voorwaarde. En er waren er meer. Zo moesten er veel minder dieren worden gehouden, mochten ze niet idioot snel groeien én afleidingsmateriaal hebben zoals vers stro en daglicht. Bijkomend voordeel was dat we zulke gezonde kippen zouden gaan houden dat er bijna geen antibiotica meer nodig zou zijn.” Hoewel er belangstelling was, moest er volgens Marijke in die fase nog wel wat missiewerk worden verricht. “Het was vóór de grote protestacties tegen de plofkip. Ik heb de deur platgelopen bij supermarktconcerns om ze te overtuigen mee te doen.” Alles bij elkaar duurde het tot 2006 voordat een viertal supermarkten, Albert Heijn, Jumbo, Coop en Jan Linders, bereid was om bij wijze van proef de nieuwe kip, die 'Volwaard' ging heten,  in de schappen te leggen. “Inmiddels waren er ook zes boeren die 'onze' kippen wilden gaan houden.”

Eigen keurmerk
Gaandeweg ontstond zo het idee van een eigen keurmerk, waarbij we kozen voor een sterrensysteem. Het paste mooi in de duurzaamheidstrend in de maatschappij die ook supermarkten graag volgen. Marijke: “De sterren op de verpakkingen van vlees, kip en eieren, zo hadden we bedacht, zou ons in staat stellen om diverse gradaties van diervriendelijkheid uit te drukken. Duidelijk was voor ons in ieder geval dat bij een product met één ster de ergste problemen voor die specifieke diersoort in de vee-industrie moeten zijn opgelost. Bij een tweede ster gaat het grofweg om 'scharrel met een uitloop naar buiten' en bij de derde ster heb je het over omstandigheden die optimaal zijn, uitgaande van de behoeften van het dier en dus vergelijkbaar met de biologische sector.”

Op proef
De kip van de Dierenbescherming zou onder de merknaam ‘Volwaard’ voorzien van een nieuw logo met één ster en de kwalificatie ‘Beter Leven’ een jaar lang bij wijze van proef verkrijgbaar zijn. Uiteindelijk ging in december 2007 het licht op groen voor het project dat ooit zoveel weerstand opriep. "Het eerste succes was in dat eerste jaar meteen een half miljoen minder plofkippen, want zó veel Volwaard-kippen namen hun plaats in.” Na het proefjaar en de aankondiging dat de Dierenbescherming zou doorgaan met het ontwikkelen van keurmerk, meldden zich spontaan allerlei marktpartijen. Volgens Marijke is 2008 een cruciaal jaar geweest waarin een basis is gelegd voor het latere succes. Albert Heijn speelde hierbij een belangrijke rol, maar ook een grote vleesverwerker als Vion mag niet onvermeld blijven. Marijke: "We hebben het over de ontwikkeling van het keurmerk met één ster voor varkens. Albert Heijn wilde op termijn helemaal overstappen op diervriendelijker geproduceerd varkensvlees en dat was precies het duwtje dat nodig was om de producenten mee te krijgen. Vion ging op basis van onze criteria met 150 aangesloten boeren het avontuur aan en voldeed uiteindelijk aan de eisen van de Dierenbescherming, waaronder meer ruimte, afleidingsmateriaal en een verbod op castratie van de biggetjes.”

Het is zo simpel. Als er minder dieren worden gegeten, hoeven er minder te worden gehouden, die je dan wél een beter leven kunt gunnen. Met meer ruimte en gelegenheid om natuurlijk gedrag te vertonen.

Op de kaart
In 2010 kon de vlag uit. De media berichtten volop over de voorgenomen stap van Albert Heijn met het sterrenvlees van de Dierenbescherming waarvan de eerste pakjes door staatssecretaris Henk Bleker van Landbouw in de schappen van een Haags filiaal van de super werden gelegd. De Dierenbescherming stond duidelijk en definitief op de kaart met haar initiatief en bijbehorende keurmerk. In de media viel te lezen dat ‘de bijl aan de wortel van de bio-industrie was gezet’. Een mooier compliment was nauwelijks denkbaar.

Meeste invloed
Er zouden nog vele hoogtepunten volgen, samenkomend in een wel heel eervolle vermelding, namelijk die van de Dierenbescherming als 'de organisatie met de meeste invloed op de voedselketen'. De vakbladen Distrifood en Het Agrarisch Dagblad waren tot die slotsom gekomen op basis van de resultaten die de Dierenbescherming in de praktijk had laten zien. Het huidige succes is een bevestiging dat we op de goede weg zitten, dat de Dierenbescherming het welzijn van dieren écht kan verbeteren door niet alleen ergens tégen te zijn, maar juist vóór een diervriendelijker veehouderij.”

In Nederland zijn we hartstikke goed bezig, de uitdaging ligt bij de dieren die nog niet profiteren van de diervriendelijker wind die door Nederland waait. Dieren die bestemd zijn voor de export bijvoorbeeld, maar wel in Nederland worden gefokt.

Verschil maken
Inmiddels zijn er naast vers vlees talloze producten waarin diervriendelijker geproduceerd vlees wordt verwerkt. Die trend zet door, is de verwachting. Zeker nu mensen meer en meer bereid zijn om met duurzamere en dus diervriendelijker aankopen het verschil te maken. De consument moet het doen, het Beter leven keurmerk is daarbij een richtinggevend, helder en betrouwbaar instrument dat aanslaat. "We kijken momenteel naar afzetmarkten buiten Nederland",  besluit Marijke. “Daar is nog een wereld te winnen. In Nederland zijn we hartstikke goed bezig met elkaar, maar de uitdaging ligt bij de dieren die nog niet profiteren van de diervriendelijker wind die door Nederland waait. Dieren die bestemd zijn voor de export bijvoorbeeld, maar wel in Nederland worden gefokt". Succes smaakt naar meer.