Ganzenaanpak provincies dweilen met de kraan open

Gans onterecht zondebok van ons eigen (landbouw-)systeem

Jaarlijks worden tienduizenden ganzen gedood in een poging om de landbouwschade te beperken. Het aantal ganzen daalt niet, de schadevergoedingen evenmin. Afschot blijkt vooral dure symptoombestrijding.

Door: Cynthia VerwerDierinhoudelijk Expert In Het Wild Levende Dieren

Ganzenaanpak provincies dweilen met de kraan open

Nederland is al eeuwenlang een populaire trekpleister voor ganzen vanwege de laaggelegen graslanden, veel open water en zachte winters. De meeste ganzen migreren van noord naar zuid en verblijven alleen in de winter in ons land. Het agrarisch gebied met zijn eiwitrijke raaigras, wintergranen en oogstresten, is het grootste deel van de winter veel voedselrijker en voedzamer dan natuurgebieden. Bovendien bevinden deze landbouwgronden zich vaak in de nabijheid van rustplaatsen op grotere wateren. De schaalgrootte en het intensieve karakter van onze landbouw maken deze gronden blijvend aantrekkelijk voor ganzen.

Broedpopulatie

Van sommige soorten zien we een toenemende broedpopulatie in Nederland, zoals de grauwe gans en de brandgans. Door de modernisering van de landbouw vanaf de jaren ‘70 (bemesten van graslanden), klimaatverandering (eerder en meer eiwitrijke voedselbronnen in een jaar) en door gerichte maatregelen in de jaren '60 om grauwe ganzen terug te krijgen als broedvogel in Nederland, leven steeds meer ganzen het hele jaar door in Nederland.

Door het veranderde landschap als gevolg van de intensivering van de landbouw komen ganzen en de landbouwsector in conflict met elkaar. Ook kan de vliegveiligheid in het geding komen als ganzen naar het verbouwde voedsel vliegen in de nabijheid van vliegvelden. Vanwege de schade die zij kunnen aanrichten, is besloten om vele honderdduizenden ganzen extra af te schieten de komende jaren.

Dat stuit de Dierenbescherming tegen de borst. Afschot is symptoombestrijding als je oorzaken niet aanpakt. Tot nu toe heeft populatiebeheer en schadebestrijding nauwelijks geleid tot een afname van het aantal ganzen en ook niet tot minder schadevergoedingen.

Grenzen

Daar waar wilde dieren tegen door mensen bedachte grenzen aanlopen – en dat gebeurt al snel in ons dichtbevolkte land – moeten ze het vaak bekopen met de dood. Afschot en vergassen van ruivangsten is geen oplossing voor ‘het probleem’ en gaat ook nog eens gepaard met dierenleed, als de dieren niet direct sterven. Binnen faunabeheer zou dierenwelzijn en het er mogen zijn van in het wild levende dieren, centraal moeten staan bij de visie wat voor land Nederland wil zijn. Wij dringen daarom bij het Rijk en de provincies aan op een integrale aanpak die rekening houdt met de belangen van natuur, mensen én dieren en die de bron van het probleem aanpakt in plaats van dweilen met de kraan open. Bij zo’n integrale aanpak streeft de Dierenbescherming naar co-existentie van mensen en in het wild levende dieren, waaronder ook wilde ganzen.

De provincie Noord-Holland koos eind maart voor een aanpak die tegen deze visie indruist. En die ook niet toekomstbestendig is. In het inmiddels vastgestelde 'faunabeheerplan Gans' staat dat er de komende twee tot drie jaar elk jaar ongeveer 60.000 grauwe ganzen worden gedood.

Retoriek

In Friesland zien we een retoriek met dezelfde uitkomst: van de 80.000 ganzen wil de provincie er 9000 overhouden. Maar het bejagen en verjagen van ganzen zorgt ervoor dat als er geen of niet afdoende rust- en foerageergebieden zijn waar de ganzen naartoe kunnen en waar ze écht met rust gelaten worden, ganzen juist in grote(re) groepen gaan eten en broeden. Dit verspreidt of voorkomt de schade niet, en concentreert zich sterk op bepaalde percelen. Onderdeel van een integrale aanpak is dus het op de juiste plek aanleggen van kwalitatief goede rust- en foerageergebieden.

Maar er gloort nog hoop. In de provincies Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht en Flevoland zitten de plannen namelijk nog in de pen. De Dierenbescherming ziet als maatschappelijke organisatie, een verplichting in de wet Natuurbescherming (2017), in de genoemde faunabeheereenheden (fbe’s) en richt zich op alternatieven van het afschieten van ganzen. Denk aan het gebruik van diervriendelijkere werende en verjagende middelen en instrumenten, opgenomen in de faunaschade preventiekits van BIJ12, zoals de inzet van drones, knalapparaten, lasers en afrasteringsnetten.

Rust- en foerageergebied

Daarnaast adviseren we het Rijk en de provincies over maatregelen zoals het voorzien van rust – en foerageergebied waar de dieren naartoe verjaagd kunnen worden en waar ze ook daadwerkelijk met rust worden gelaten. Dit kunnen dijken of braakliggende akkers zijn of percelen van een agrariër die voor de opvang van de ganzen een vergoeding krijgt. We informeren Rijk en provincies ook over maatregelen die zij kunnen nemen, of kunnen stimuleren (door middel van subsidies), om het landschap minder aantrekkelijk te maken voor ganzen. Dit kan door het telen van andere gewassen en grassen die minder aantrekkelijk zijn voor ganzen, door variatie in waterstand en natuurlijke predatie door vossen. Ook moet het schadevergoedingsstelsel opnieuw naar de tekentafel: wij hameren op het instellen van een vergoeding voor preventieve maatregelen, met uiteraard vergoeding van schade zodra die optreedt.

Voor de Dierenbescherming staat voorop dat in het wild levende dieren, zoals dus ook ganzen, bij Nederland horen en dat enerzijds het faunabeheer maatregelen moet nastreven die ertoe leiden dat co-existentie tussen mens en natuur wordt bevorderd en anderzijds door maatregelen die soorten betere kansen bieden op overleven en die last but not least, de schade en overlast beperken.

Dierengeluiden

Iedere donderdag een opiniestuk van de Dierenbescherming over dieren in het nieuws, actuele dierenwelzijnsproblemen of onze overwegingen.

Meer afleveringen