Nog strengere regels voor het fokken met kortsnuitige honden
En waarom we daar als Dierenbescherming blij mee zijn
Het fokken van rashonden is een riskante aangelegenheid. Het (extra) risico op het creëren en in stand houden van schadelijke, erfelijke ziekten en kenmerken is groot, en dat heeft ertoe geleid dat sommige hondenrassen zo zijn doorgefokt dat ze eronder lijden en hun situatie uitzichtloos is.

Voor de Dierenbescherming is het evident: sommige erfelijke eigenschappen - zoals een korte snuit, uitpuilende ogen, huidplooien en epilepsie - zijn schadelijk voor het welzijn van dieren. Gek genoeg is niet iédereen het hiermee eens. Daarom is er een wetenschappelijk onderzoek gestart dat moest aantonen in welke mate korte snuiten schadelijk zijn voor de gezondheid van honden. De uitkomst was duidelijk en bood perspectief.
Het mooie van het onderzoek is dat het handvatten biedt om de fokkerij van dit type hond, daadwerkelijk aan te pakken. Er is 4,5 jaar een uitzondering geweest voor het fokken van honden met een extreem korte snuit, als een soort overgangssituatie om de zaken op orde te krijgen. Deze is – tot onze blijdschap - nu per direct komen te vervallen doordat er een zogeheten beleidsregel is ingevoerd. Hiermee heeft minister Adema (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) de regels flink aangescherpt. Het is per direct verboden om honden met een extreem korte snuit in combinatie met honden met een langere snuit te fokken. Hiermee wordt het onnodig lijden van honden met erfelijke eigenschappen voorkomen.
Vrij simpel gesteld; het fokken van honden met
een extreme korte snuit mag vanaf nu - zonder uitzondering - echt niet meer. Dit is een overwinning voor de hond die met recht gevierd mag worden! En waar we als Dierenbescherming ontzettend blij mee zijn.
Uiteraard
is de korte snuit nog maar één van de vele schadelijke erfelijke aandoeningen
waar rashonden aan lijden. Wat ons betreft is de weg bij deze definitief
geplaveid om ook voor andere erfelijke aandoeningen een duidelijke grens in het
leven te roepen.
