Het kat-vogelconflict vraagt om een beetje poldermodel

Echt, er is nog een zee van ruimte tussen niets doen en afschieten

Deze week ging het rondom de begroting en Prinsjesdag veel over het poldermodel en elkaar een hand toereiken. En dat is nou precies wat het debat over katten en wilde dieren nodig heeft. Op 16 september boden dierenorganisaties de petitie tegen het afschieten van katten aan bij de provincie Overijssel, die deze beheeroptie serieus overweegt. Dat is voor de Dierenbescherming geen optie. Maar wat dan wel?

Anne van den Ende

Door: Anne van den EndeStrategisch beleidsadviseur dierenwelzijn

Het kat-vogelconflict vraagt om een beetje poldermodel

Erken om te beginnen dat de ander ook een punt heeft

Laten we eerst in het vraagstuk duiken. Het kat-vogelconflict heeft lang in de taboesfeer gezeten en het debat verhardt al snel tot een keuze tussen kattenwelzijn en natuurbescherming. En inderdaad: we hebben hier een klassiek moreel dilemma in handen. Aan de ene kant staat de kat, aan de andere kant de dieren die door die kat worden bejaagd en ook de natuur als geheel. Alle drie zijn beschermwaardig, maar hun belangen zijn niet altijd met elkaar te verenigen. Iedere oplossing brengt daarom morele kosten met zich mee.

Ook juridisch zien we die spanning terug. Wilde vogels genieten een sterke bescherming, onder meer vanuit de Vogelrichtlijn en de Omgevingswet. Tegelijkertijd erkent de Wet dieren de intrinsieke waarde van dieren en moet bij besluiten rekening worden gehouden met de gevolgen voor hun welzijn en integriteit.

Bij zo’n conflict tussen beschermwaardige belangen is niemand gebaat bij ingraven. Een polderoplossing begint met erkennen dat beide kanten een punt hebben. Ja, het welzijn van katten doet ertoe. Voor veel katten draagt buiten zijn bij aan hun welzijn en biedt het ruimte voor natuurlijk gedrag. We moeten dus niet lichtvaardig besluiten dat katten voortaan allemaal binnen moeten blijven. Maar katten zijn ook predatoren. Ze doden in het wild levende dieren, waaronder inheemse vogelsoorten die het door allerlei andere oorzaken – veelal veroorzaakt door de mens – al moeilijk hebben.

De predatie serieus nemen én relativeren

Een recent Nederlands onderzoek naar het dieet van vrij rondlopende katten in open gebieden laat zien dat vogels ongeveer tien procent van hun dieet vormen. Ruim de helft bestaat uit kleine zoogdieren, zoals bijvoorbeeld muizen. De onderzoekers wijzen erop dat predatie door katten mogelijk gevolgen heeft voor kwetsbare populaties. Tegelijkertijd kan uit dieetonderzoek alleen niet worden vastgesteld hoe groot dat effect op populatieniveau precies is.

Die nuance is belangrijk. Katten zijn niet de oorzaak van de achteruitgang van onze vogelstand; daarvoor zijn tal van andere problemen, zoals verlies van leefgebied en intensief landgebruik. Maar dat betekent niet dat we hun predatiedruk kunnen negeren. Met zo’n drie miljoen katten in Nederland is het natuurlijk ook niet ondenkbaar dat katten (vaak minder lui dan ze doen lijken) enige invloed hebben op wilde dierpopulaties. Zeker lokaal, in gebieden met kwetsbare soorten, kan die relevant zijn. Daarnaast kan de aanwezigheid van katten als predator ook stress en gedragsveranderingen veroorzaken bij wilde dieren, met mogelijke gevolgen voor hun overleving en voortplanting. De roep om iets te doen tegen de predatiedruk van (zwerf)katten is dus begrijpelijk. De vraag is vervolgens welke maatregelen daar het meest effectief en proportioneel tegen zijn.

Afschot is niet de oplossing

Afschot lijkt voor sommigen aantrekkelijk door zijn eenvoud: minder katten betekent minder predatie. Maar zo simpel werkt dat niet. In een studie naar intensief afschot binnen een semi-gesloten populatie was de populatie drie maanden na het verwijderen van ongeveer de helft van de katten alweer terug op het oorspronkelijke niveau. Immigratie van katten uit omliggende gebieden werd als belangrijke verklaring genoemd. Een ander onderzoek naar laag-intensief afschot in een open populatie liet zelfs een sterke toename zien van het aantal en de activiteit van katten tijdens de afschotperiode. De onderzoekers vermoeden dat dit kwam doordat na het verwijderen van dominante, gevestigde katten andere katten het vrijgekomen gebied konden innemen. Ook een hogere overleving van jonge katten, doordat overgebleven dieren meer toegang kregen tot voedsel, kan hebben bijgedragen. Afschot kan de populatiedynamiek dus onverwachte kanten op sturen en potentieel zelfs het probleem verergeren.

En daar komt nog een fundamenteler probleem bij. In de resultaten van een recent TNRC-project van provincie Utrecht bleek 86 procent van de gevangen katten een eigenaar te hebben. Afschot is daarom niet alleen vanuit dierenwelzijn problematisch (afschot is zeker geen garantie op een snelle, pijnloze dood), maar ook onverantwoord (het risico bestaat dat de kat iemands geliefde huisdier is) en ineffectief (zonder duurzame oplossing aan de voorkant is het dweilen met de kraan open). En waarom zouden we een gezond dier doden als het naar huis kan of een nieuw thuis kan krijgen?

Deze zwervende kat is net gevangen door een TNRC-werkgroep.

De meeste katten hoeven helemaal niet terug

Dat laatste wordt in het debat over de inzet van TNRC (Trap-Neuter-Return-Care) nogal eens vergeten. Bij TNRC wordt een kat gevangen, gecastreerd en vervolgens op een geschikte locatie teruggeplaatst, waar deze onder toezicht blijft en de nodige zorg ontvangt. Maar terugplaatsen is lang niet voor iedere kat nodig. Bij de Dierenbescherming werd in 2025 slechts één op de acht binnengekomen zwerfkatten via TNRC weer uitgezet. De overgrote meerderheid kon worden herenigd met een eigenaar of was socialiseerbaar en kon worden herplaatst.

Voor de kleine groep katten die daadwerkelijk verwilderd en niet socialiseerbaar is, ligt de moeilijke afweging. Daar kan TNRC zeker meerwaarde hebben. Door katten te castreren wordt nieuwe aanwas en verdere voortplanting voorkomen. Dat betekent niet dat TNRC overal geschikt is. In of naast ecologisch zeer kwetsbare gebieden kan terugplaatsing ongewenst zijn. In dat geval kan worden gezocht naar een geschikte andere locatie.

Tijd voor verantwoord kattenbezit

De echte oplossing begint uiteindelijk nog eerder: bij onszelf. Verwilderde kattenpopulaties ontstaan namelijk niet zomaar. Dumpen, achterlaten en ongecontroleerde voortplanting zijn toch vooral de mens aan te schrijven. Daarom moeten we veel meer werk maken van verantwoord kattenbezit: chippen en registreren (waar blijft de plicht, staatssecretaris Silvio Erkens?), goede verzorging en waar mogelijk het beperken van de jachtimpact door bijvoorbeeld de kat een buitenren te bieden of binnen voldoende mogelijkheden te creëren om natuurlijk gedrag te vertonen. We kunnen daarnaast niet vaak genoeg benadrukken: katten die buiten komen, moeten worden gecastreerd. Een hogere castratiegraad voorkomt nieuwe generaties ongewenste katten en daarmee nieuwe verwilderde populaties. En ik kan je verzekeren dat ook onze dierenasielen heel blij zijn als ze een zomer níét overspoeld worden door kittens.

Het kan wél

Om dan maar in de politieke sfeer te blijven: ook bij dit vraagstuk kan het wel. Het begint met de verschillende belangen en perspectieven serieus nemen en zoeken naar zorgvuldige oplossingen die voor alle kanten dragelijk zijn. Want zowel de kat als de vogel doet ertoe. En nu nog een beetje goede wil van de mens. Dan kan dat onzalige afschot gewoon van tafel.

Dierengeluiden

Iedere donderdag een opiniestuk van de Dierenbescherming over dieren in het nieuws, actuele dierenwelzijnsproblemen of onze overwegingen.

Meer afleveringen Word lid