Geef de zeug de ruimte
Verkeerde zuinigheid werkt niet
In de AMvB Dierwaardige Veehouderij, nu bijna twee weken oud, biedt het kabinet een stapel regels om dierenwelzijn binnen de veehouderij te verbeteren. En hoewel er stappen worden gezet, worden er ook flinke kansen gemist. De staatssecretaris dreigt moedervarkens – die steeds groter worden – namelijk vast te gaan zetten in een hok dat te klein is. Daarmee dreigt hij boeren te laten investeren in een stalaanpassing die slechter werkt, niet toekomstbestendig is en niet beantwoordt aan de maatschappelijke wens van ‘Stop de kooien’.
Door: Marjolein van Huik en Niels KalkmanSenior beleidsmedewerker Veehouderij & persvoorlichter


Maar laten we een stapje terugzetten, want waar hebben we het eigenlijk over? Vanaf 2028 wordt bij nieuwbouw van varkensstallen het vrijloopkraamhok verplicht. Vanaf 2040 moet dat zelfs voor alle stallen gelden, wat betekent dat bestaande stallen moeten worden verbouwd. Niemand die zich met dierenwelzijn bezighoudt, gaat betogen dat dat geen vooruitgang is. Het is een eerste stap om een moedervarken (zeug) te bevrijden van de stangen van haar traditionele kraamhok.
Vrijloopkraamhok
Het uiteindelijke doel moet namelijk zijn dat een zeug haar biggen krijgt en grootbrengt zonder dat zij daarvoor wordt opgesloten. Het tweede doel is dat haar biggen langer bij haar kunnen blijven. Maar daarvoor is een vrijloopkraamhok van 6,5 m2 , wat nu wel in de AMvB staat, niet voldoende. Want in een vrijloopkraamhok van dit formaat, moet ze nog steeds 5 tot 7 dagen worden vastgezet. Door nu een te krappe maat in de wet vast te leggen, raakt het echte einddoel verder verwijderd.
Dat vastzetten blijft, helaas, noodzakelijk om te zorgen dat er niet meer biggen sterven door doodliggen dan gebeurt in een traditioneel kraamhok met de zeug tussen stangen. Doodliggen is een wat grafische term voor het feit dat een moedervarken op een van haar biggetjes gaat liggen waardoor deze wordt vermorzeld.
Een hok van net iets meer dan twee bij drie meter, dat klinkt – zeker in de gangbare veehouderij – misschien royaal. Maar doordat het fokbeleid erop gericht is de zeugen meer en meer biggen te laten krijgen, worden zeugen gefokt met steeds meer tepels om al die biggen te kunnen zogen. Daarmee krijgen ze óók een grotere lichaamslengte. We vinden sowieso dat dit fokbeleid moet veranderen. Een varken moet een varken blijven, geen biggetjesmachine. Dieren blijven pushen tot het uiterste van hun biologische limiet betekent dat dieren minder robuust en weerbaar worden. Het komt uit de lengte óf de breedte. De Dierenbescherming vindt dat na deze AMvB voor de houderij van dieren er ook gewerkt moet worden aan het verbeteren van de fokkerij, transport en slacht van dieren.
Vrijheid

Deze AMvB zou wat ons betreft juist moeten zorgen voor meer vrijheid en ruimte voor het natuurlijke gedrag van dieren. Voor ons begint dat met de zeug vrijheid in haar kraamhok te geven én de kans om haar biggen langer bij haar te houden. Zolang dat fokbeleid niet verandert, betekent het dat een vrijloopkraamhok dus groot genoeg moet zijn om zo’n langere zeug, met dus meer én groter wordende biggen, langer te huisvesten. En daarmee kan een hok dat vandaag precíés past, over een jaar of wat alweer te klein zijn. Het duurt jaren om wetgeving te veranderen. Dus al die tijd ligt er een te krappe maatstaf vast, én wordt van boeren, die volgens de normen van de wet investeren, grote investeringen gevraagd in een niet goed functionerend hok.
Dit is niet alleen een theoretisch probleem. Een te klein oppervlak beperkt de ruimte van de zeug om vrij te bewegen en om belangrijke functiegebieden goed te onderscheiden. Kunnen ronddraaien in haar hok is voor de zeug belangrijk voor 1) haar nestbouwgedrag vóór het werpen en 2) het verzamelen en groeperen van haar biggen voordat ze gaat liggen om haar biggen te zogen. Als de zeug hierin beperkt wordt door een te klein oppervlak, kan ze dat minder goed en is dat een risico voor een hogere biggensterfte door doodliggen.
Eten, liggen en hun behoefte doen horen – áls het moedervarken tenminste haar natuurlijke gedrag kan uitoefenen, en dat is waarvoor deze hele AMvB bedoeld is – niet allemaal op dezelfde vierkante meter. Vermenging van het mestgedeelte met het eet- of liggedeelte leidt tot een slechtere hokhygiëne en daarmee tot slechtere diergezondheid. Vermenging van eten en liggen kan daarbovenop leiden tot meer activiteit en versnippering van de aandacht van de zeug, waardoor het risico op doodliggen toeneemt. Als door de krappe maat van het vrijloopkraamhok toch teveel biggen worden doodgelegen is het niet ondenkbaar dat een boer de zeug toch maar weer gaat vastzetten in haar hok. Dode biggetjes en nog steeds opgesloten worden, dat is de rekening die de boer, de zeug en haar biggen moeten gaan betalen als ervoor gekozen wordt om een te krap formaat vast te leggen in de wet.
Europese autoriteit voor voedselveiligheid
We moeten onszelf dus vooral de vraag stellen hoeveel vierkante meter groot een goed werkend vrijloopkraamhok daadwerkelijk moet zijn. En daar hoeven we gelukkig niet naar te gissen, maar daar zijn concrete aanwijzingen voor. EFSA (de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid) geeft namelijk aan dat er een totale omvang van 7,8 m² nodig is om, zonder de zeug te hoeven vastzetten, een vergelijkbaar percentage biggensterfte door doodliggen te bereiken als in het traditionele kraamhok – waarin hetmoedervarken dus staat opgesloten.
En dan hebben we het natuurlijk ook nog steeds niet over luxe. Het gaat simpelweg om de afmetingen en aantallen van de dieren die in dat hok moeten leven.
Praktijkervaringen
Misschien kunnen we hier leren van landen die ons voorgingen. In vergelijkbare, ons omringende landen, koos men twee, drie decennia geleden voor een maat die vergelijkbaar is als de maat die wij anno 2026 willen invoeren. En in dit soort landen (Zweden, Zwitserland, Noorwegen) trekt men eigenlijk allemaal de conclusie inmiddels dat deze maat te klein in. Ook in Duitsland wordt die kant op bewogen. Uit een enquête van het Netzwerk Fokus Tierwohl onder dertig bedrijven met vrijloopkraamhokken blijkt dat 26 bedrijven al hokken van meer dan 7,0 m² gebruiken. Hetzelfde netwerk adviseert varkenshouders inmiddels daadwerkelijk om mínimaal 7,0 m² aan te houden. Ook de toeleverende industrie adviseert op basis van praktijkervaringen minstens die maat. Let wel, in deze hokken staat de zeug dan nog wel een periode vast.
Dat is opmerkelijk, want andere landen hebben de afgelopen decennia dus laten uitzoeken wat wel en niet werkt, en neigen eigenlijk zonder uitzondering naar een grotere maat. En wij? Het meest diervriendelijke kabinet gaat voor de komende decennia een maat vastleggen die éígenlijk nu al te klein is, maar de komende jaren echt problematisch gaat worden. Dat zou zonde zijn.
Biggensterfte
Want met 6,5 m² lopen we het risico dat de biggensterfte hoger blijft dan nodig. Dat het kraamhok te krap wordt om biggen op een latere leeftijd te spenen. Dat de zeug haar eet-, lig- en mestgedeelte onvoldoende kan onderscheiden. Dat het vrijloopkraamhok daardoor niet werkt zoals bedoeld en de neiging wordt om de zeug dan toch maar weer vast te zetten. En dat we varkenshouders vragen om te investeren in een hok dat minder goed functioneert en niet toekomstbestendig is omdat het niet is gebouwd op het huisvesten van langere zeugen, meer biggen en groter wordende biggen. Daarbij komt dit vrijloopkraamhok nog steeds niet tegemoet aan de maatschappelijke wens dat zeugen helemaal niet meer worden vastgezet tijdens het werpen of zogen van haar biggen.
