Lekker stukje ‘wild’ op je bord met kerst? Doe maar niet!

Wij Nederlanders verorberen jaarlijks gemiddeld twaalf miljoen kilo aan wild. Met name rond de feestdagen eten we graag een stukje ree, konijn of eend. Maar het argument dat dieren uit het wild het ultieme scharrelvlees geven, schuift de Dierenbescherming resoluut van tafel. Maar liefst 58 procent komt van dieren in de bio-industrie, die hun leven in een krap hokje hebben gesleten in plaats van de vrije natuur.
Lekker stukje ‘wild’ op je bord met kerst? Doe maar niet!

Jaarlijks eten we zo’n twaalf miljoen kilo aan wild, nog geen één procent van de totale vleesconsumptie. Slechts vijf procent hiervan komt uit eigen land. Een derde is afkomstig uit andere Europese landen en de rest wordt geïmporteerd uit onder meer Argentinië, Chili, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. Wild is overigens een relatief begrip; de struisvogels uit Afrika leven vaak op boerderijen en bizonvlees is afkomstig van fokprogramma’s in de Verenigde Staten en Canada. Ook in ons land worden dieren ‘gekweekt’ in de bio-industrie, zoals konijnen, kalkoenen en herten. Uit onderzoek blijkt dat meer dan de helft van het wild in onze supermarkten gekweekt is en dat het vlees van konijnen zelfs àltijd afkomstig is van fokkerijen. En dat mag gewoon, want ‘wild’ is geen beschermde term.

Niet transparant
Onze supermarkten zijn overigens lang niet altijd transparant over welke producten afkomstig zijn van dieren uit het wild en welke niet. Volgens onderzoeksbureau Questionmark staat op 36% van de etiketten geen land van herkomst en meldt 40% niet of het echt wild betreft of het dier is gekweekt. De organisatie deed, evenals vorig jaar, onderzoek naar wildproducten in de supermarkten, waarbij 45 wildsoorten onder de loep werden genomen. De meeste dieren die in het onderzoek worden aangemerkt als kweekwild hebben geen beter leven gehad dan varkens en kippen in de bio-industrie.

Extreem dierenleed
Maar zelfs als wildvlees wél afkomstig is van dieren uit de vrije natuur, zijn er tal van redenen om het te niet te eten, aangezien er in veel gevallen extreem dierenleed aan vooraf is gegaan. Neem het drijven van hazen. De dieren ondervinden enorme paniek en stress, terwijl het eerste schot vaak niet eens dodelijk is. Ook levert jacht stress op voor andere dieren en mensen in de nabije omgeving en leidt het tot gedragsveranderingen bij de achtergebleven dieren, die schuw worden en minder tijd nemen om te rusten en eten.

Met uitsterven bedreigd
“Het oogsten van wildvlees houdt geen stand als je bedenkt dat wij jaarlijks meer dan vijf miljoen varkens consumeren en er in ons land zo’n 6.000 wilde zwijnen rondlopen. Omgerekend zouden we binnen één dag door dat zogenaamde ultieme scharrelvlees heen zijn,” verklaart Femmie Smit, die als deskundige op het gebied van in het wild levende dieren bij de Dierenbescherming werkt. “Wildconsumptie kan diersoorten onder druk zetten en zelfs laten uitsterven. En hoewel het voortbestaan van soorten in Nederland redelijk wordt gewaarborgd via wetgeving, is dit elders allerminst het geval. Ook neemt men het in landen zoals Argentinië, waar de meeste hazen vandaan komen, niet zo nauw met dierenwelzijn. De jacht is daar niet goed gereguleerd, met wilde jachtpartijen en half aangeschoten dieren tot gevolg."