Wetgeving brengt verbetering, maar nog geen dierwaardige veehouderij
Het kabinet zet, met de vandaag gepresenteerde nieuwe wetgeving, stappen ríchting een dierwaardige veehouderij. Maar van een echte omslag is nog steeds geen sprake.

In de nieuwe wetgeving (AMvB) staat welke stappen de pluimvee-, varkens- en rundveesector tussen nu en 2040 moeten gaan zetten. En ondanks dat op een aantal punten de dieren er zeker op vooruit gaan wordt op belangrijke onderdelen, zoals een buitenloop, ons minimale niveau van 1 ster Beter Leven niet eens gehaald, laat staan het driesterrenniveau. Hiermee wordt niet voldaan aan een wettelijk vastgelegde ambitie van een dierwaardige veehouderij in 2040.
Het wordt tijd dat het kabinet dieren nu echt op één zet. Veehouders kunnen deze omslag niet alleen maken: overheid en markt moeten meebewegen. Daarbij mag export niet langer het argument zijn om noodzakelijke stappen uit te stellen.
Nu is het onzeker of de voorgenomen wetgeving haalbaar is in de praktijk. Het is de vraag of straks voldaan kan worden aan belangrijke randvoorwaarden als vergunningverlening en voldoende marktvraag. Zolang dat niet goed geregeld is, dreigen streefdata niet te worden gehaald. Waardoor krulstaarten nog steeds worden afgebrand, veel dieren niet naar buiten kunnen en kalfjes nog steeds veel te vroeg op transport gaan.
Wat moet er beter
Met de voorgestelde wetgeving worden enkele belangrijke stappen vooruitgezet. Tegelijkertijd missen we belangrijke thema’s en veel van de voorgestelde maatregelen gaan niet ver genoeg om echt van een dierwaardige veehouderij te kunnen spreken. Zo ontbreekt bij alle diersoorten de verplichting tot toegang tot een uitloop of weidegang. Ook is bij veel maatregelen nog geen concrete ingangsdatum ingevuld. Er is nu wetgeving gemaakt voor varkens, runderen en kippen. We pleiten er, samen met de Dierencoalitie, voor dat wetgeving voor andere diersoorten, zoals kalkoenen, geiten, schapen, eenden en konijnen, snel zal volgen.
Hieronder zetten we nog een aantal belangrijke punten per diersoort uiteen.
Voor pluimvee
Kooisystemen worden verboden en dat is heel goed nieuws. Vanaf 2028 mogen ze niet meer gebouwd worden en in 2035 moeten ze helemaal verdwenen zijn. Pluimvee krijgt verder meer ruimte in de stallen. Dat is een goede ontwikkeling, want meer ruimte betekent voor de dieren een betere gezondheid en het kunnen uitvoeren van hun natuurlijk gedrag. Het gaat alleen niet ver genoeg. De ruimte per dier ligt onder het niveau dat volgens de EFSA (de Europese wetenschappelijke autoriteit op het gebied van dierenwelzijn) nodig is voor beter dierenwelzijn.
De wetgeving beoogt ook om in 2040 alleen nog robuuste, dus sterke, vleeskuikenrassen toe te staan. Er staat alleen niet omschreven wat hier precies onder wordt verstaan. Dit wordt de komende tijd pas uitgewerkt. Het is van belang dat hierbij gekeken wordt naar een breed scala aan welzijnsindicatoren. Rassen zouden hierop getoetst en onafhankelijk beoordeeld moeten worden. Er wordt echter geen lijst van goedgekeurde rassen opgesteld die wordt vastgelegd in lagere wetgeving, wat een gemiste kans is. Hierdoor is de kans groot dat er onduidelijkheid blijft bestaan over welke rassen er precies onder deze term vallen. Ook vallen de ouderdieren van de vleeskuikens buiten de boot – voor hen komen er geen regels.
Voor varkens

Voor moedervarkens komt er een einde aan de kooihuisvesting tijdens de kraamperiode. Het is positief dat vanaf 2030 deze traditionele kraamboxen niet meer gebouwd mogen worden in nieuwe stallen. Echter, er is geen datum vastgesteld waarop álle traditionele kraamboxen moeten zijn verdwenen, dus ook in oude stallen. Dit is afhankelijk van een nog uit te voeren evaluatie. Wat ook jammer is, is dat de maatvoering die voor de vrijloopkraamhokken in de AMvB is opgenomen te krap is. Dit is zowel nadelig voor het moedervarken, voor de biggen als voor het goed kunnen functioneren van het vrijloopkraamhok.
De leefomgeving van varkens wordt ook op punten verbeterd. Vanaf 2030 moeten varkensstallen zo zijn ingericht dat de dieren op aparte plekken hun behoefte kunnen doen, kunnen rusten of eten en ‘exploreren’. Zo blijven de stallen schoner en worden varkens gelukkiger.
Helaas wordt het anders inrichten van de stallen niet gekoppeld aan het verruimen van de oppervlakte. Logischer zou zijn dit wel te doen, omdat je in een ruimere stal veel beter kan inrichten naar functie. (Ook gaat het niet gepaard met een verbod op het ‘voerligbox-met-uitloop’-systeem voor drachtige dieren. In dit systeem kunnen de varkens niet vrij kiezen waar ze kunnen liggen en is de ruimte voor onderlinge sociale interactie beperkt.) Wat wel positief is, is dat er nu wettelijke normen gaan gelden voor de hoeveelheid ammoniak ín de lucht die de dieren in de stal de hele dag inademen én vanaf 2030 moeten alle stallen voorzien zijn van daglicht.
De
discussie over het stoppen met couperen van varkensstaarten wordt natuurlijk al
heel lang gevoerd. De praktijk blijkt alleen weerbarstiger dan wat de wet
voorschrijft. Daarom is het goed
dat ook in de AMvB normen nader worden gespecificeerd waardoor handhaven eenvoudiger
wordt. Minpunt is dat er nog steeds geen einddatum is vastgelegd waarop er
helemaal geen varkensstaarten meer afgesneden mogen worden.
Voor rundvee

Voor melkrunderen zijn er voor het eerst minimale vloeroppervlakten opgenomen in de AMvB en voor kalveren zijn deze vloeroppervlakten vergroot. Deze oppervlakten zijn echter nog onvoldoende om natuurlijk gedrag te kunnen vertonen volgens EFSA. Voor vleeskalveren beveelt EFSA namelijk minstens 3 m2 leefoppervlakte aan, maar de wetgeving gaat niet verder dan 2,2 m2. Voor vleesrunderen is alleen opgenomen dat er ‘voldoende’ leefoppervlakte moet zijn, zonder dat te specificeren. Daarnaast blijft het huisvesten van runderen in aanbindstallen, een huisvestingsysteem waarin runderen geen natuurlijk gedrag kunnen vertonen, tot 2040 mogelijk. Ook weidegang is essentieel voor het natuurlijk (graas)gedrag van runderen, maar die graasbehoefte wordt niet eens opgenomen als gedragsbehoefte in de AMvB en weidegang wordt niet verplicht.
De
minimumnorm voor het hemoglobinegehalte (ijzergehalte) in het bloed van
kalveren wordt verhoogd van 4,5 mmol/l naar 5,3 mmol/l. Hiermee verschuift deze
norm van de absolute ondergrens voor bloedarmoede naar de ondergrens waaronder
het kalf fysiologisch minder goed in staat is om fysieke inspanning te
verrichten. Voor de sociale behoeften van kalveren is het positief dat kalveren
nu vanaf uiterlijk veertien dagen leeftijd samen gehuisvest worden in plaats
van acht weken leeftijd, zoals nu het geval is. Echter, voor een echt
dierwaardige veehouderij, waarin het geven en krijgen van moederzorg als
behoefte wordt erkend, zouden kalveren bij hun moeder gehouden moeten worden.
Ook overheid en markt aan zet
Ook
al vinden we dat de AMvB nog veel gebreken kent, veehouders moeten in de komende
jaren wél aan nieuwe maatregelen gaan voldoen. Zij kunnen dit echter niet
alleen. Als veehouders hun dieren meer ruimte moeten geven, betekent dat een
hogere kostprijs. En als ze hun stal moeten verbouwen, bijvoorbeeld om
vrijloopkraamhokken te maken, is daar een vergunning voor nodig. Die
vergunningverlening ligt nu door de stikstofproblematiek zo goed als stil. Het
is dus essentieel dat ook overheden en markt- en ketenpartijen zich de komende
jaren inspannen om het voor veehouders mogelijk te maken deze stappen te
zetten.
Vervolg
Het is nu aan de Eerste en Tweede Kamer om de AMvB te bekijken en hierover te debatteren. We hopen dat de behandeling in beide Kamers ertoe leidt dat de AMvB nog verder wordt aangescherpt. Uiteraard blijven wij als Dierenbescherming ons inzetten om verdere verbeteringen voor dieren te realiseren.
