Dierproeven: niet meer vanzelfsprekend

In Nederland worden jaarlijks rond de 500.000 dieren gebruikt in wetenschappelijk onderzoek en wettelijk voorgeschreven tests. Daarnaast zijn er ook nog eens zo’n 400.000 dieren die niet in een test terecht komen, maar wel gedood worden. De meeste experimenten worden gedaan op muizen en ratten, maar ook andere diersoorten, zoals cavia's, konijnen, kippen, honden, katten, paarden, schapen, geiten, varkens, runderen, apen, vogels, vissen, en amfibieën worden ingezet. Ook voor onderwijs worden dieren gehouden. Bijvoorbeeld bij diergeneeskunde, maar ook op groenscholen.

De proefdieren worden in laboratoria of andere instellingen gefokt, maar ook uit het wild gevangen of in de eigen leefomgeving van het dier bestudeerd. Bij de proeven worden dieren vaak in hun welzijn aangetast, bijvoorbeeld omdat ze opzettelijk ziek gemaakt worden. Ze ervaren pijn en stress en worden na de test meestal gedood. Helaas wordt er steeds meer gewerkt met genetisch gemodificeerde dieren. Dat zal lange tijd leiden tot een stijging in het aantal dieren dat nodig is. 

proefdieren

Dierproef voor veiligheid

Meer dan de helft van de dierproeven wordt gedaan om meer kennis te krijgen over processen in het menselijk en dierlijk lichaam , om het ontstaan van ziekten en aandoeningen te bestuderen en medicijnen en vaccins te ontwikkelen. Ruim 25% van de tests op dieren wordt uitgevoerd om stoffen te testen op hun werkzaamheid en veiligheid voor de mens, dier en/of milieu. Dat is heel vaak al lang niet meer nodig, maar wettelijk verplicht. Industrie en onderzoekers staan ervoor open ermee te stoppen, maar dan moet het wel mogen

Alternatieven voor dierproeven

Dierproeven vinden dus bijna altijd plaats in het belang van mensen, ze zijn er voor onze gezondheid en veiligheid. Toch zijn dierproeven al lang niet meer vanzelfsprekend. De laatste jaren zijn er steeds meer alternatieven voor dierproeven, zoals het testen met cel- en weefselkweken (ook van menselijk materiaal) en het gebruik van computerprogramma’s bij onderwijs en onderzoek. Zulke alternatieven hebben vaak een betere voorspellende waarde te hebben dan het werken met proefdieren.

De 3 V's: wat zijn dat?

In Nederland is het voor de aanvraag om een dierproef te mogen doen verplicht dat een onderzoeker ook kijkt naar de 3 V’s:

  • Vervanging: kan het onderzoek ook worden gedaan op een andere manier dan met proefdieren? door alternatieve testobjecten;
  • Vermindering: kijk of je onderzoek ook met minder dieren kan worden gedaan, streef naar zo min mogelijk dieren;
  • Verfijning: een onderzoeker heeft de verplichting ervoor te zorgen dat een dier zo min mogelijk lijdt, of stress heeft.

proefdier

De laatste ontwikkelingen

In ons land wordt gelukkig steeds meer nagedacht over stoppen met dierproeven. Dat gebeurt door de overheid, de wetenschap, industrie en onderwijs. Dat is vooral zo, omdat meer en meer duidelijk wordt dat dierproeven te weinig opleveren. Ermee stoppen zal wel lastig zijn, want de wet moet ervoor worden aangepast en het is in onderzoek meer regel dan uitzondering dat voor dierproeven wordt gekozen. Maar de tijd dat dierproeven ‘de gouden standaard’ zijn is voorbij, daar zijn velen het wel over eens.

In Nederland zien we dan ook een nieuwe ontwikkeling, die gaat over de overgang (transitie) naar onderzoek en testen waarvoor geen dieren worden gebruikt. Dat is een heel andere manier van denken en werken. Daar moet nog veel voor gebeuren, maar steeds meer mensen uit het veld zijn het erover eens dat dit nodig is om op een andere manier onderzoek te doen.

Wat vindt de  Dierenbescherming?

De Dierenbescherming vindt dat er zo snel mogelijk gestopt moet worden met dierproeven. Nu steeds duidelijker is dat dierproeven gewoonweg te weinig opleveren, moet dat inzicht heel zwaar wegen. Als het zonder dieren kan, moet dat ook gebeuren. We hebben eerder hard gevochten voor de 3 V’s en zijn daar ook blij mee, maar daar mag het niet bij blijven. De inspanningen van de knappe koppen in de wetenschap moet zich nu meer richten op nieuwe manieren van onderzoek, zonder proefdieren.

Door veel beter gebruik te maken van alle informatie die er al is, zal blijken dat heel veel onderzoek al gedaan is en kunnen de resultaten naast worden vergeleken om nieuw onderzoek te voorkomen. Het bij elkaar brengen  van die gegevens moet internationaal gebeuren. Voor het inrichtend van zo’n zogeheten gegevenspakhuis moet geld beschikbaar komen. Dat zal best wat kosten, maar kan nieuwe investeringen in de toekomst voorkomen.

Er is Europese wetgeving over dierproeven, die geldt ook in Nederland. Om te kunnen stoppen met veiligheidstesten zal die wet moeten veranderen. Onze ministers en andere bewindspersonen moeten zich daar in Brussel hard voor maken. Niet 1 of 2 keer, maar steeds weer. Nederland heeft de ambitie om in 2025 wereldleider te zijn als het gaat om het afbouwen van dierproeven en de overstap naar dierproefvrij werken. Daar is ook politieke wil voor nodig en de Dierenbescherming zal onze politici daar dan ook steeds op aanspreken. Het kan niet alleen van het rijk, industrie of wetenschap komen: stoppen met dierproeven is iets van de hele samenleving

Wat kan jij doen?

Toen er nog veel te doen was over make-up en dierproeven, was er veel aandacht voor bij het publiek. De foto’s van de witte konijnen die in een kistje worden vastgezet om stoffen in hun ogen te krijgen riepen veel verontwaardiging op. Maar sinds er in Europa een verbod is op dierproeven voor cosmetica is er veel minder belangstelling voor. Dat is niet terecht. Ook deze dieren verdienen onze aandacht, ze zijn er alleen voor ons.