Dierentuinen hebben hun maatschappelijke rol waar te maken

En daar heb je lang niet alle mogelijke diersoorten voor nodig

De staatssecretaris heeft vandaag een herziening van de regelgeving en het vergunningsstelsel voor dierentuinen aangekondigd. De Dierenbescherming ziet dit als welkome en hoognodige stappen. Het huidige vergunningstelsel schiet namelijk tekort in het waarborgen van het welzijn van dieren en het potentieel van dierentuinen wordt er onvoldoende mee benut. Dat doet ook geen recht aan de centrale doelstelling die in Europese regelgeving voor dierentuinen is vastgelegd: dierentuinen moeten bijdragen aan de bescherming van wilde dieren en het behoud van biodiversiteit.

Anne van den Ende

Door: Anne van den EndeStrategisch beleidsadviseur dierenwelzijn

Dierentuinen hebben hun maatschappelijke rol waar te maken

De Europese dierentuinrichtlijn markeert het behoud van soorten en biodiversiteit als dé maatschappelijke opdracht voor dierentuinen (voor de oplettende lezer: dus niet recreatie). En ze kunnen hier ook echt een verschil maken. Dierentuinen hebben al in verschillende internationale samenwerkingen een belangrijke rol gespeeld bij succesvolle herintroducties, zoals die van het przewalskipaard in Mongolië, de wisent in Oost-Europa en de algazel in Noord-Afrika. Ook nu zijn Nederlandse dierentuinen betrokken bij waardevolle programma’s gericht op het uitplaatsen van dieren ter versterking van wilde populaties, bijvoorbeeld rond de Europese steur en de Europese grondeekhoorn.

Toch geen echte ark van Noach

Maar dit zijn eerder uitzonderingen dan regel. Het overgrote deel van de diercollecties bestaat helemaal niet uit soorten die met uitsterven worden bedreigd. Vaak worden er ook veel soorten gehouden – zoals stokstaartjes – die weliswaar bezoekers trekken, maar waarmee het in het wild (gelukkig) gewoon goed gaat. Tegelijkertijd kan het houden en fokken van deze dieren wel weer voor ethische dilemma’s zorgen. Dat bleek dit jaar nog toen in een Nederlandse dierentuin acht gezonde stokstaartjes waren geëuthanaseerd, omdat er binnen de groep en elders geen geschikte plek voor hen was.

Het idee van dierentuinen als een soort moderne ark van Noach, waaruit bedreigde populaties kunnen worden aangevuld, gaat in de praktijk dus veelal niet op. Dat kan ook niet altijd: diersoorten worden immers niet voor niets bedreigd, bijvoorbeeld omdat hun leefgebied onder druk staat of omdat ze gestroopt worden. In zo’n situatie kun je niet zomaar dieren gaan terugplaatsen.

Maatschappelijke bijdrage meten en toetsen

Dierentuinen kunnen gelukkig ook op andere manieren bijdragen aan natuurbehoud, bijvoorbeeld door financiële steun aan natuurprojecten, wetenschappelijk onderzoek, natuureducatie of de opvang van wilde dieren. Een aantal dierentuinen spant zich daar hard voor in. De huidige regelgeving is er echter niet op ingericht om dierentuinen ook te toetsen op hun daadwerkelijke bijdrage. De toetsing is nu voornamelijk inspanningsgericht: dierentuinen worden bij de vergunningverlening beoordeeld op wat zij van plan zijn om te gaan doen. Ook wordt de daadwerkelijke bijdrage nog onvoldoende in kaart gebracht door dierentuinen zelf.

Terwijl de samenleving de maatschappelijke rol van dierentuinen juist belangrijk vindt. Onderzoek in opdracht van de RDA (Raad voor Dierenaangelegenheden) laat zien dat Nederlanders het voorkomen van uitsterven van diersoorten en de opvang van wilde dieren als de belangrijkste taken van dierentuinen zien. De recreatieve functie scoort juist het minst hoog.

De maatschappelijke bijdrage van dierentuinen mag volgens de Dierenbescherming niet langer afhankelijk zijn van de goede wil van individuele dierentuinen. Als natuurbehoud de wettelijke doelstelling is, moet er ook worden getoetst welke bijdrage een dierentuin daadwerkelijk levert. Ook zijn er duidelijke regels nodig voor de samenstelling en het beheer van diercollecties. Dit moet beter aansluiten bij de maatschappelijke doelen van dierentuinen en tegelijkertijd het onnodig ontstaan van overtallige dieren voorkomen.

Niet iedere diersoort vanzelfsprekend in dierentuinen

Maar daarmee zijn we er nog niet. Want ook als een dierentuin een waardevolle bijdrage levert aan natuurbehoud, is daarmee niet nog gezegd dat iedere diersoort daar goed gehouden kan worden. Voor sommige wilde diersoorten is het echt bijzonder moeilijk om in gevangenschap tegemoet te komen aan hun gedragsmatige, sociale, cognitieve en ruimtelijke behoeften. Toch gaat het huidige systeem er in beginsel van uit dat álle soorten gehouden mogen worden en wordt vervolgens pas gekeken hoe dat zo goed mogelijk kan.

Dat uitgangspunt verdient heroverweging. Voor particulieren heeft de wetgever al expliciet de vraag gesteld welke soorten, met het oog op hun welzijn, geschikt zijn om te houden. Slechts een aantal zoogdiersoorten heeft de zogenoemde huis- en hobbydierenlijst gehaald. Deze aanpak zou je ook voor dierentuinen kunnen toepassen: een wetenschappelijke beoordeling met als resultaat een schifting welke dieren je – gezien hun welzijnsbehoeftes – wel (en vooral ook niet) op dierwaardige wijze in een dierentuin kan houden.

Olifanten

Dat zal er waarschijnlijk toe leiden dat een aantal diersoorten uit het toekomstbeeld van dierentuinen verdwijnt. In omringende landen zien we al dat regelgeving rondom specifieke soorten, zoals dolfijnen en olifanten, wordt aangescherpt; soms al tot aan een houdverbod. Maar een dierentuin hoeft zonder deze dieren zeker niet minder interessant te worden. Mensen van alle leeftijden zijn ook te enthousiasmeren over wilde dieren zonder ze fysiek te hoeven zien. Denk aan de video’s van David Attenborough en Freek Vonk, maar ook aan innovatieve technieken als virtual reality. Hier liggen nieuwe kansen voor de dierentuin van de toekomst.

Een vergunning moet een actuele kwaliteitswaarborg zijn

Heel positief is de Dierenbescherming over het besluit van de staatssecretaris om het vergunningsstelsel te herzien. Het huidige vergunningsstelsel, dat stamt uit 2002, biedt immers geen actuele waarborg voor dierenwelzijn en de invulling van de maatschappelijke doelen. Vergunningen worden nu voor onbepaalde tijd verleend. Daardoor kunnen verouderde verblijven en werkwijzen blijven bestaan zolang een dierentuin geen wijzigingen aanbrengt. Pas wanneer een dierentuin iets aanpast, wordt het betreffende verblijf opnieuw beoordeeld aan de hand van de normen van deze tijd. Dat zorgt voor een ongewenste prikkel: een dierentuin die investeert in vernieuwing wordt opnieuw getoetst, terwijl een dierentuin die niets verandert buiten beeld kan blijven.

Het nieuwe stelsel moet dit doorbreken. De Dierenbescherming wil dat dierentuinen in het vervolg periodiek worden herbeoordeeld. Zo kan het systeem ervoor zorgen dat dierentuinen blijven aansluiten bij actuele wetenschappelijke en maatschappelijke inzichten. Minder regeldruk, een doelstelling die de staatssecretaris aandraagt, kan zeker goed zijn, maar mag nooit ten koste gaan van de inhoudelijke lat. Het gaat wat de Dierenbescherming betreft om betere borging van wat er voor dieren en de maatschappelijke functie van dierentuinen echt toe doet.

Lees ook: Ambitieus herontwerp nodig voor dierentuin van de toekomst

Voor dierenwelzijn in de wet

Wij lobbyen om dierenwelzijn beter en vaker te verankeren in de wet. Door goede kaders voorkom je immers dierenleed in bijvoorbeeld de vee-industrie en bij dieren in het wild. We lobbyen op landelijk niveau, maar ook in Europa, bij de provincies en gemeenten.

Dierenwelzijn in de wet Over de lobby voor dierenwelzijn