Over damherten
Damherten komen voor in verschillende gebieden in Nederland, zoals de duinen tussen IJmuiden en Noordwijk, Zeeland, de Veluwe, Plantage Willem III (Utrechtse Heuvelrug), en Hosterwold (Flevoland).
Soms worden ze elders gezien, vaak ontsnapt uit hertenkampen. Vanaf 2024 is fokken van damherten niet toegestaan omdat ze niet op de positieflijst staan voor huis- of hobbydier.
Beschermd, maar toch afgeschoten
Damherten zijn beschermd volgens de Omgevingswet. Toch kunnen provincies ontheffing verlenen voor afschot als damherten niet welkom zijn binnen de provinciegrenzen. Dit gebeurt vaak als onderdeel van een 'nulstandbeleid', waarbij vaststaat dat damherten niet gewenst zijn.
Soms mogen damherten alleen verblijven in specifieke natuurgebieden. Afschot gebeurt bij een ontheffing zowel binnen als buiten deze aangewezen leefgebieden om de populatie onder controle te houden. Maar afschot is niet effectief gebleken.

'Overlast' van damherten
Damherten kunnen in grote populaties voorkomen in een gebied. Ze stellen namelijk weinig eisen aan hun leefgebied, eten veel verschillende plantensoorten en zijn erg tolerant tegenover elkaar. Te grote aantallen kunnen een nadelig effect op de natuur hebben, omdat jonge bomen en planten dan geen kans meer krijgen om te groeien.
Ook wennen damherten makkelijk aan mensen, waardoor conflicten kunnen ontstaan. Voorbeelden hiervan zijn aanrijdingen en schade aan gewassen en tuinen. Om schade en overlast te voorkomen worden damherten in verschillende gebieden afgeschoten.
Waarom afschieten niet werkt
In de Amsterdamse Waterleidingduinen zijn in de periode van 2016-2021 circa tienduizend damherten afgeschoten. Het totaal aantal damherten is daarentegen slechts met duizend dieren afgenomen (Meershoek, 2021). Zodra er door afschot meer voedsel beschikbaar komt, planten herten zich sneller voort. De ‘winst’ van afschot is daardoor minimaal.
Bovendien hebben damherten, naast negatieve effecten, ook positieve effecten op de natuur. Damherten vervullen namelijk belangrijke functies in een ecosysteem. Ze zorgen ervoor dat gebieden niet overgenomen worden door alleen gras- of alleen struiksoorten, waardoor onder meer de opvangcapaciteit van water in de bodem wordt vergroot.


Wat vindt de Dierenbescherming?
De Dierenbescherming pleit voor grote, robuuste, aaneengesloten natuurgebieden waarin grote hoefdieren (zoals damherten) vrij en ongestoord kunnen leven. Damherten zouden in deze gebieden niet bejaagd mogen worden. De dieren worden hier dan geboren, groeien ongestoord op en sterven ten gevolge van natuurlijke factoren, zoals predatie, ziekte of verzwakking.
Afschot resulteert niet in blijvend kleinere populaties (eenmaal schieten betekent blijven schieten), veroorzaakt veel dierenleed, leidt tot voortplantingsexplosies en verstoort de natuurlijke selectie. Ook zorgt bejaging voor onrustig gedrag bij dieren (ook in de schemering), met mogelijk meer aanrijdingen tot gevolg.
Het vestigen en verdwijnen van plant- en diersoorten als gevolg van intensieve begrazing ziet de Dierenbescherming als een natuurlijk, dynamisch proces. Bovendien is het onbekend hoe het landschap zich op de lange termijn onder een hoge begrazingsdruk zal ontwikkelen. Mogelijk leidt intensieve begrazing over een aantal decennia juist wel tot meer biodiversiteit. Bepaalde plant- en diersoorten zullen verdwijnen terwijl andere soorten, die profiteren van de invloed van grote grazers op het landschap, zich zullen vestigen. In het huidige beleid, waarin extreem lage aantallen grote grazers wordt nagestreefd, is de positieve invloed van grote grazers op de lange termijn niet zichtbaar.
De Dierenbescherming pleit daarom voor de inzet van niet-dodende, preventieve maatregelen om overlast en schade veroorzaakt door damherten te voorkomen.
Wat doet de Dierenbescherming voor damherten?
De Dierenbescherming pleit voor het verbinden van natuurgebieden, waarin grote hoefdieren, zoals damherten, vrij kunnen leven. Daar waar die faunaverbindingen nog niet plaats kunnen vinden, streeft de Dierenbescherming naar de aanwijzing van leefgebieden van voldoende grootte en voldoende kwaliteit. De dieren zouden in deze leefgebieden niet bejaagd mogen worden, want afschot veroorzaakt dierenleed, én is niet effectief gebleken. In het beheer pleiten we daarom voor de inzet van niet-dodende, preventieve maatregelen.
We pleiten voor onder meer deze oplossingen:
- Plaatsen van (tijdelijke) hekken op strategische plekken (Moons, 2022; Staatsbosbeheer, 2022)
- Planten van prikkelstruiken (zoals duindoorn) om kwetsbare plantensoorten heen
- Tijdelijk inzetten van geurstoffen (zoals tupoleum) waardoor gebieden waar natuur tegen vraat beschermd moet worden, door herten worden vermeden
- Verbinden van versnipperde natuur via ecoducten en tunnels
- In kleine (afgerasterde) gebieden of kleine populaties kan het toepassen van anticonceptie door vaccinatie (middels darten) uitkomst bieden. Wereldwijd is deze methode al op diverse locaties ingezet, zoals in gebieden waar sprake is van overlast door olifanten of edelherten (Lammertsma & Jansman, 2016; Staatsbosbeheer, 2022)
- Verminderen van de aantrekkelijkheid van bermen voor damherten en verschralen van wegbermen zodat de bestuurder dieren eerder kan opmerken
- Plaatsen van zoutstenen op een veilige afstand van de weg. Hoefdieren worden namelijk aangetrokken door het zoutstrooisel op de weg
- Verlagen van de toegestane rijsnelheid of wegen tijdelijk afsluiten (deel van de dag of deel van het jaar) om het aantal aanrijdingen te verlagen
- Plaatsen van wildsignaleringssystemen die de bestuurder tijdig waarschuwt voor mogelijk overstekend wild (Van der Grift, 2022)
Meer weten over damherten?
Download ons factsheet met nog veel meer informatie over damherten.


