Wat de gemeente kan doen voor in het wild levende dieren
Ook voor het welzijn van in het wild levende dieren kan de gemeente een belangrijke rol spelen. De kwaliteit en kwantiteit van de leefgebieden, maar ook directe mens- dierinteracties zijn bepalend voor het welzijn van wilde dieren binnen gemeentegrenzen.
De gemeente maakt het verschil
In de Nota Aanbevelingen Gemeentelijk Dierenwelzijnsbeleid staan aanbevelingen die gemeenten kunnen gebruiken op het gebied van dierenwelzijn. Het document bevat concrete adviezen die gemeenten over kunnen nemen voor het verbeteren van het welzijn van dieren uit de veehouderij, gezelschapsdieren en in het wild levende dieren.
Denk hierbij aan handelingen zoals bouw, groenbeheer, jacht en omgang met ‘overlast’ en schade door wilde dieren.
Gemeenten zijn in bezit van eigen gronden en kunnen rekening houden met het welzijn van wilde dieren die leven op deze gronden. Bijvoorbeeld door beperkingen te stellen aan handelingen die het welzijn van in het wild levende dieren aantasten. Tot slot kan een gemeente in haar beleid rekening houden met dierenwelzijn, bijvoorbeeld als het gaat over de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte en de omgang met dieren die zich hierin bevinden. Hierbij kan de gemeente ook inzetten op informatievoorziening richting haar inwoners.
Eenvoudige maatregelen kunnen al voldoende zijn om overlast te beperken
In principe genieten alle in het wild levende dieren enige basisbescherming op grond van de algemene zorgplichten. Een groot aantal (inheemse) diersoorten valt daarnaast onder een van de drie verschillende (hoofd)beschermingsregimes in de natuurbeschermingswetgeving. Daaruit volgen specifieke beschermingsregels die kunnen variëren van een ‘lichter’ beschermingsregime tot ‘zware’ bescherming. Dit laatste met name voor inheemse vogels en bepaalde vanuit internationaal perspectief gezien bedreigde soorten.
Voor zowel beheer als schadebeperking is daarmee het ‘nee, tenzij’-beginsel leidend in de Omgevingswet, waarin soortenbescherming het uitgangspunt is. In het geval van schadebeperking betekent dit dat dieren niet gedood worden, tenzij er redelijkerwijze echt geen enkele andere mogelijkheid is.
De verantwoordelijkheid voor het bepalen van het wolvenbeleid, ligt primair bij de provincies. Zij maken gezamenlijk afspraken over monitoring, tegemoetkoming bij landbouwschade in het Interprovinciaal Wolvenplan. De uitvoering van dit beleid ligt bij BIJ12/IPO. Gemeentes krijgen met wolven te maken als een wolf een acute bedreiging voor de veiligheid is. In dat geval kan de burgemeester op grond van de Gemeentewet de politie vragen het agressieve dier te doden.
Vergunningen , vergunningsvrije gevallen en opdrachten
Ten behoeve van beheer en schadebestrijding kan van de wettelijk geldende bescherming worden afgeweken als bepaalde belangen in gevaar zijn. Voorbeelden van mogelijke uitzonderingsgronden zijn de verkeers- en vliegveiligheid, volksgezondheid of het voorkomen van schade aan gewassen en dieren. Dit wordt middels vergunningen en vrijstellingen geregeld op landelijk en provinciaal niveau.
Aanbevelingen
De gemeente heeft als taak de openbare ruimte te beheren en te onderhouden. Wanneer mensen eventuele overlast ervaren door dieren die in deze ruimte in het wild leven – zoals boerenganzen, bruine ratten, stadsduiven, meeuwen, steenmarters, verwilderde katten en konijnen – is het aan de gemeente om dit op te pakken. Het voert te ver om elke diersoort en de daarvoor beschikbare diervriendelijke oplossingen te bespreken. Voor meer specifieke (diergerichte) aanbevelingen kunnen gemeenten contact opnemen met de Dierenbescherming.
Allereerst is het belangrijk dat een gemeente bepaalt of er daadwerkelijk sprake is van overlast. De gemeente kan eventuele gevoelens van overlast bij burgers wegnemen door goede voorlichting te geven over aanwezige diersoorten en hun positieve kanten. Dit draagt bij aan een harmonieuze co-existentie van mensen en dieren binnen gemeentegrenzen.
Voor de publiekscampagne ‘Verrekte nuttig die dieren’ van de gemeente Groningen werd een handboek opgesteld met dierenpaspoorten van de meest voorkomende ‘overlastgevende’ dieren in de gemeente (Handboek mens-dierrelaties). Het handboek wordt gebruikt door de 'plaagdierenbestrijding' van de gemeente, maar geeft ook een handleiding aan inwoners over hoe zij (preventief) met mens-dierconflicten om kunnen gaan. Van elk dier wordt beschreven wat hun eigenschappen zijn, hun nut in het ecosysteem, de mens-dierrelatie en hoe wij mensen met deze dieren omgaan. Preventieve maatregelen, zoals het vergroten van kennis, zijn het meest effectief. Door het creëren van begrip voor het gedrag van dieren wordt (ervaren) overlast voor mens en dier in veel gevallen voorkomen.
Mocht er toch sprake zijn van het ervaren van overlast, dan zijn vaak simpele maatregelen al voldoende om ervaren overlast te beperken. Sommige gemeenten kiezen bijvoorbeeld voor een voerverbod (Voerverbod openbare ruimte - GGD Amsterdam).
Op plekken waar veel voedsel is, zoals een snackbar waar mensen etensresten laten slingeren, kan advies over het gebruik van betere prullenbakken of ondergrondse containers overlast verminderen. Overlast door knaagdieren in woningen vermindert door woningen goed na te lopen op gaten en kieren en deze te dichten. Aanpassingen aan de leefomgeving kunnen uitkomst bieden.
Als alle preventieve omgevingsmaatregelen genomen zijn maar de overlast niet voldoende is weggenomen, kan de gemeente overwegen om dieren te vangen en te verplaatsen. In het geval van beschermde diersoorten is hiervoor een vergunning nodig. Voor het welzijn van de dieren en ter voorkoming van publieke verontwaardiging en onvrede, is het belangrijk te zoeken naar een betrouwbare uitvoerder die de dieren onderbrengt op een goede plek. Bovendien is het, zoals bij boerenganzen, van belang om te voorkomen dat de populatie weer uitgroeit. Dit kan door nesten van deze dieren diervriendelijk te laten beheren.
Neutraliseren in plaats van doden
Het neutraliseren van dieren om de populatie te stabiliseren of af te laten nemen, is ook een methode om overlast van kleine populaties dieren te beperken. Het neutraliseren van verwilderde katten en de duivenpil zijn hier voorbeelden van.
Het doden van knaagdieren, zoals ratten en muizen, gebeurt door particulieren en dierplaagbeheersers. Sinds 2023 is het voor particulieren niet meer toegestaan om gif te gebruiken, en kan gif enkel onder voorwaarden worden ingezet door een gecertificeerd dierplaagmanagementbedrijf. Het inzetten van middelen die onnodig leed veroorzaken, zoals gif en lijmplaten, is onacceptabel, ook vanwege de risico’s voor andere dieren zoals huisdieren (honden en katten) en andere wilde dieren zoals roofvogels.
De gemeente kan haar inwoners informeren over geïntegreerde plaagdierbeheersing, het nemen van preventieve maatregelen en het diervriendelijk oplossen van overlast. Ook kan ze met de inrichting van het gemeentelijk groen rekening houden met de aantrekkende of juist afschrikkende werking op wilde dieren. Zie voor meer informatie onze dossierpagina Diervriendelijk overlast van muizen en ratten bestrijden.
De gemeente Utrecht informeerde haar inwoners met de campagne ‘Rat in de stad’. Op de website van Milieu Centraal is de toolkit ‘Voorkom een plaag, begin vandaag’ te downloaden, met voorlichtingsmateriaal om burgers te informeren. Deze toolkit is speciaal ontwikkeld voor gemeenten en woningbouwcoöperaties vanuit het overheidsprogramma IPM door diverse organisaties, waaronder de Dierenbescherming.
Verwilderde katten
Gemeente kunnen financiële ondersteuning bieden bij diervriendelijke maatregelen tegen zwerfkatten
In Nederland leven in het wild geboren en verwilderde huiskatten die buitenshuis leven en geen eigenaar hebben of niet door een eigenaar worden opgeëist. Ze zijn mensenschuw en leven op plekken waar voedsel te vinden is, zoals woonwijken, vakantieparken, restaurants, industrieterreinen en in natuurgebieden. Vaak worden ze gevoerd door mensen uit de buurt. Hoe meer voedsel en nestplekken, hoe meer katten. Waar meer voedsel is, leven deze katten meestal in groepen (sociaal). In het buitengebied is het voedselaanbod vaak beperkt en leven verwilderde katten meestal alleen (solitair) en in lage dichtheden.
Aanbevelingen
Binnen de bebouwde kom kan de zogeheten TNR-methode bijdragen aan het voorkomen en verminderen van overlast door verwilderde katten: het vangen (Trap), castreren of steriliseren (Neuter) en weer terugzetten (Return) van katten. Hierbij kan het plaatselijke asiel ondersteuning bieden. Het vangen gebeurt met speciale vangkooien tijdens gerichte acties. Voorafgaand worden buurtbewoners verzocht om de zwerfkatten niet te voeren en hun eigen kat binnen te houden of te onderscheiden met een halsbandje.
De gecastreerde of gesteriliseerde katten worden bij voorkeur weer teruggeplaatst in hun oude leefomgeving. Teruggeplaatste dieren veroorzaken veel minder overlast en voorkomen dat er plaats komt voor nieuwkomers. Indien de methode consequent wordt toegepast, kan de populatie stabiel worden gehouden. Het is hierbij echter wel van belang dat aanwas zoveel mogelijk wordt beperkt door het chippen en castreren van huiskatten. Voorlichting kan hierbij helpen.
Hengelsport
Vissen ervaren – net als andere dieren en mensen – stress, angst en pijn.
In Nederland is hengelen op veel zoetwatervissen toegestaan en populair. Hierbij is – vaak door onwetendheid – het dierenwelzijn in het geding. Hoewel de intentie veelal is om de vis levend terug te plaatsen, blijkt uit onderzoek dat gemiddeld 18% van de gevangen vis sterft. Vissen ervaren, net als mensen en andere gewervelde dieren, pijn en stress.
De Dierenbescherming is dan ook tegen hengelen en is van mening dat de hengelsport een vorm is van niet-noodzakelijk dierenleed. Vissen moeten zo veel mogelijk met rust worden gelaten.
Vissen ervaren – net als andere dieren en mensen – stress, angst en pijn. Het vangen van vissen met een hengel heeft directe gevolgen voor het welzijn van een vis. De haak veroorzaakt pijn, met name wanneer deze wordt ingeslikt of hardhandig wordt verwijderd. Ook kan het beetpakken van de vis de slijmlaag aantasten en leidt het bewaren van vis in leefnetten net als het (onkundig) doden tot pijn en angst. Daarnaast heeft hengelen indirecte gevolgen voor dierenwelzijn, zoals het verboden gebruik van levend aas, het veroorzaken van loodvergiftiging bij vogels bij loodgebruik en het risico voor vogels en andere dieren op verstrikking in losgeraakt of verloren visdraad of het inslikken van een vishaak.
Elke gevangen vis valt onder de beschikkingsmacht van de mens. Daarom is de Wet dieren van kracht vanaf het moment dat een vis wordt gevangen en deze letterlijk ‘in handen’ is van de hengelaar. De zorgplicht die volgt uit de Wet dieren is dan ook van toepassing en het is verboden om zonder redelijk doel bij een vis pijn of letsel te veroorzaken of de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.
Aanbevelingen
De hengelsport is door de Rijksoverheid in de Visserijwet 1963 geregeld. Dit betekent dat de gemeente geen nadere regels ten aanzien van hengelen kan stellen, maar wel kritisch kan zijn bij het afgeven van een vergunning voor een visevenement. De gemeente kan daar waar ze eigenaar is van water of oevers, het hengelen verbieden en een overeenkomst met een hengelsportvereniging niet verlengen.
De gemeente kan in het kader van natuur- en milieueducatie in samenwerking met natuur- en dierenbeschermingsorganisaties voorlichting geven over het onderwaterleven. De Dierenbescherming pleit ervoor dat deze educatie plaatsvindt zonder de vissen daarbij te verstoren.
Ruimtelijke ingrepen
Een gemeente kan de aanwezigheid bevorderen van insecten- en slakkenetende dieren, zoals egels.
In iedere gemeente, zelfs binnen de bebouwde kom, leeft een groot aantal dieren in het wild. Deze dieren dragen bij aan een levendige en groene gemeente en dit is een reden om hun aanwezigheid te bevorderen door het nemen van indirecte maatregelen zoals de aanleg en het onderhoud van een diervriendelijke omgeving.
Iedere diersoort stelt specifieke eisen aan zijn leefomgeving. Er zijn soorten die hun hele leven doorbrengen in bossen en struwelen. Andere dieren gebruiken deze plekken bijvoorbeeld alleen om in te broeden en zoeken hun voedsel bijvoorbeeld in open gebieden. Weer andere dieren zijn te vinden bij grazige vegetaties, bij water of voelen zich bijzonder goed in en bij gebouwen.
In de praktijk komen veel dieren in het nauw door nieuwbouw van bedrijven, woningbouw, sloop, wegaanleg en het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het is echter ook mogelijk ruimtelijke ingrepen zo vorm te geven dat deze de leefomstandigheden van dieren verbeteren en op termijn een positief effect hebben op de diersoort. Denk hierbij ook aan de invloed van lichtvervuiling op het welzijn van dieren.
Aanbevelingen
Wanneer de gemeente plannen ontwikkelt voor ruimtelijke ingrepen of, is het belangrijk vooraf goed mogelijk nadelige consequenties voor beschermde inheemse soorten te onderzoeken.
Het is belangrijk dat de gemeente goed veldonderzoek laat verrichten naar de aanwezigheid van dieren in en nabij het plangebied. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van het Natuurloket en de soortendatabase van het ministerie van LVVN kunnen een hulpmiddel zijn ter voorbereiding op het veldonderzoek.
Het is mogelijk ruimtelijke ingrepen zo vorm te geven dat deze de leefomstandigheden van dieren verbeteren en op termijn een positief effect hebben op de diersoort. Denk hierbij ook aan de invloed van lichtvervuiling op het welzijn van dieren.
In een omgevingsplan en -visie (voorheen: bestemmingsplan) moet de gemeente alle relevante belangen inventariseren en tegen elkaar afwegen. De bescherming van dieren die in het plangebied voorkomen, is hier onderdeel van.
Inheemse vogels en hun nesten en eieren zijn beschermd op grond van de Omgevingswet. Dit betekent dat het te allen tijden verboden is om bomen en struiken te kappen of snoeien als hierin een nest in gebruik is (nestelen, broeden, jongen aanwezig), of dat er een jaarrond beschermd nest – in de betekenis van ‘vaste rust-, broed- of verblijfplaats’ – aanwezig is. Voorafgaand aan werkzaamheden moet worden onderzocht of er broedende/nestelende vogels of eventueel jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn.
In de praktijk blijkt echter dat het moeilijk is om de nesten tijdig op te sporen en dat invloeden van kap- en snoei-activiteiten niet beperkt blijven tot de betreffende boom of struik zelf. In aanvulling op de inventarisatie pleit de Dierenbescherming daarom voor een algeheel kap- en snoeiverbod in de periode van tenminste
15 maart tot en met 15 juli. Dit is de periode waarin de meeste vogels broeden. De Omgevingswet kent verder dus nadrukkelijk niet een ‘vast broedseizoen’.
Met het oog op de bescherming van in het wild levende dieren kunnen gemeenten verkeersbesluiten nemen voor de wegen die zij beheren. De gemeente kan bijvoorbeeld wegen afsluiten in verband met de paddentrek, hekwerken of wildsignaleringssystemen plaatsen of de maximumsnelheid beperken om overstekende dieren te beschermen. Met tunnels en bruggen (ecoducten) kan de gemeente versnipperde natuur weer ‘ontsnipperen’ zodat dieren zich veilig kunnen verplaatsen en naar andere gebieden kunnen trekken. Ook het aanwijzen van rustgebieden kan helpen tegen wildaanrijdingen.
Hoge stoepranden kunnen worden aangepast zodat ze geen barrière meer vormen voor reptielen en amfibieën. Mocht aanpassing van de stoep (nog) niet mogelijk zijn, kunnen er in goten en putten maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat reptielen en amfibieën vast komen te zitten of juist in straatkolken wegspoelen. Ook wordt er jaarlijks tijdens de paddentrek in heel het land door vrijwilligers geholpen met het veilig laten oversteken van de dieren. Gegevens die verzameld worden door paddenwerkgroepen zijn te vinden op Padden.nu.
Ook rondom waterwegen binnen gemeentegrenzen kan de gemeente zich inzetten voor het welzijn van dieren. Bij waterwegen met een steile kant bestaat het risico dat dieren vast komen te zitten en het water niet uitkomen. Dit kan ertoe leiden dat dieren verdrinken. Om dit te voorkomen en dieren te helpen het water uit te komen, kunnen uittreedmogelijkheden geboden worden, zoal trappetjes of touwen. Niet alleen is een veilige omgeving rondom waterwegen van belang voor dieren die onbedoeld te water raken, dit geldt ook voor dieren die in het water leven en te maken hebben met (permanente) obstakels in hun leefomgeving zoals sluizen.
Bij de voorbereiding van baggerwerk is het noodzakelijk rekening te houden met de aanwezige (beschermde) dieren en planten. Samenwerking met een ecoloog kan helpen om kwetsbare punten te inventariseren. Vervolgens moet de gemeente een plan maken dat beschrijft wanneer en hoe het best gebaggerd kan worden, afhankelijk van een inventarisatie van de aanwezige fauna.
Een vergunning is nodig wanneer het gaat om regulier beheer, gebruik en onderhoud in een gebied waarin andere dan uitsluitend algemene soorten voorkomen, tenzij de gemeente werkt volgens een door het ministerie (RVO) goedgekeurde gedragscode.
Uitvoering van baggerwerkzaamheden kan het beste plaatsvinden in september of oktober; een periode tussen de voortplanting en winterrust van vissen en amfibieën in. Het is belangrijk om gefaseerd en gericht te baggeren zodat dieren kunnen wennen en rustig naar een andere plek kunnen gaan. Dieren moeten ontsnappingsmogelijkheden hebben. Vissen kunnen eventueel worden teruggezet of verplaatst, als afdoende rekening wordt gehouden met de temperatuur van het water
Een gemeente kan als beheerder van parken, plantsoenen en overig openbaar groen allerlei maatregelen nemen ter bescherming van de dieren die in deze gebieden leven. Denk hierbij bijvoorbeeld aan diervriendelijke middelen voor het bestrijden van onkruid, uittreedplaatsen bij grachten en het creëren van aflopende oevers in plaats van een hoge beschoeiing. Bloeiende oevers en wegbermen vormen een thuis voor veel soorten insecten wat weer allerlei vogels aantrekt. Ook kan een gemeente de aanwezigheid bevorderen van insecten- en slakkenetende dieren, zoals egels. Met zulke maatregelen stemt een gemeente het beheer van het gemeentelijk groen af op natuurontwikkeling en op de bescherming van de dieren en hun leefgebieden.
Tot slot kan de gemeente haar inwoners informeren en helpen mee te helpen door het geven van voorlichting over het samenleven met wilde dieren, of een subsidie voor het vergroenen van de tuin. Zie hiervoor ook onze tips op www.dierenbescherming.nl/tuintips.
Bijdragen aan ecologische structuur
Het beheer van openbaar groen kan ook bijdragen aan de vorming van een ecologische infrastructuur tussen terreinen die uit natuuroogpunt waardevol zijn. Verbindingszones waarlangs dieren zich kunnen verplaatsen zijn onmisbaar voor de natuur in het stedelijke gebied. Het kunnen wisselen van gebied is niet alleen van belang voor het overleven van individuele dieren, maar ook voor de instandhouding van de populatie. Voorbeelden van ecologische infrastructuur zijn lintvormige beplantingen, niet gemaaide oeverkanten en bermen voor insecten en kleine dieren, viaducten en tunnels voor dieren bij drukke verkeerswegen.
De gemeente dient haar integrale visie voor de langere termijn voor het openbaar groen vast te leggen in een plan, zoals een natuurontwikkelingsplan of een groenstructuurplan. Een belangrijk onderdeel van zo’n plan is een inventarisatie van de verschillende in de gemeente levende dieren en hun leefgebieden. Op basis van deze inventarisatie is het mogelijk de natuurwaarde van de verschillende gebieden in de gemeente vast te stellen en doelstellingen te formuleren. Bovendien zal het plan maatregelen en voorstellen moeten bevatten om deze doelstellingen te realiseren. Aandacht voor het ecologisch ontwerpen van nieuwbouwwijken is hier een voorbeeld van. Maar ook het aanpassen van groenbeheer en groeninrichting, zodat natuurlijke processen een kans krijgen en bestaande groenvoorzieningen natuurlijker worden, draagt bij aan het behalen van de doelstellingen.
Een omvangrijke en kwalitatief goede groenvoorziening binnen de gemeente draagt bij aan een gezonde leefomgeving voor dier en mens. Het is daarom van belang dat de gemeente investeert in uitbreiding en/of verbetering van groen binnen haar grenzen. Stedelijk groen, zoals natuurinclusieve bebouwing, draagt hieraan bij.
De gemeente dient integraal om te gaan met natuurinclusief bouwen door bij haar eigen bouwprojecten rekening te houden met aspecten zoals begroeiing op muren en daken, natuurlijk ingerichte tuinen met insectvriendelijke vegetatie en nest-, slaap-, en foerageerplekken voor vogels en zoogdieren. Meer informatie over natuurinclusief bouwen is te vinden op www.bouwnatuurinclusief.nl.
Daarnaast kan de gemeente haar bewoners ondersteunen in – en aansporen tot – het vergroenen van hun eigen woonomgeving door bijvoorbeeld voorlichting over en het subsidiëren van vergroenende dier- en insectvriendelijke maatregelen.
Een voorbeeld van een landelijk project waaraan gemeenten kunnen deelnemen, is het NK Tegelwippen. Bewoners van deelnemende gemeenten kunnen zich aanmelden voor het laten uitwippen van een tegel en krijgen hiervoor een insectvriendelijke plant terug: www.nk-tegelwippen.nl). Niet alleen draagt dit direct bij aan vergroening van de leefomgeving, ook helpt het inwoners bij de bewustwording van het belang van vergroening
Op gemeentelijk niveau is het dier onderdeel van de dagelijkse gang van zaken van vrijwel elke burger. Of het nou een hond in het park is, een kat op een motorkap, een eend in het water, een rat bij het afval of een vlinder in de tuin: er zijn veel dieren die het leven in de gemeente geur en kleur geven.