Relevante wetgeving voor gemeenten

Een beschrijving van de belangrijkste bestaande Nederlandse wetgeving die van belang is voor dieren ‘in de gemeente’. Daarnaast informatie over gemeentelijke vergunningen, die bijvoorbeeld gaan over veehouderij, evenementen met dieren of schuilstallen, en de rol van zelfregulering.

Wet dieren

Op 1 januari 2013 is de Wet dieren in werking getreden. Hierin is voor het eerst de erkenning van de intrinsieke waarde (eigenwaarde) van het dier expliciet als uitgangspunt vastgelegd in de belangrijkste wet voor gehouden dieren (artikel 1.3) en is de algemene zorgplicht voor dieren geïntroduceerd (artikel 1.4).

De Wet dieren is een kaderwet. Dit betekent dat deze een beperkt aantal (hoofd-)regels stelt en daarnaast vooral de mogelijkheid biedt om allerlei deelonderwerpen te regelen via Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. De Wet dieren is de belangrijkste wet voor gehouden (landbouw- en huis-)dieren en bundelt alle dierenwelzijns- en gezondheidsregels ten aanzien van deze dieren in één wet. De belangrijkste uitvoeringsregels op het gebied van dierenwelzijn zijn opgenomen in drie regelingen:

  1. Het Besluit houders van dieren,
  2. De Regeling houders van dieren, en
  3. Het Besluit diergeneeskundigen.

Hierin zijn regels opgenomen voor het particulier- en bedrijfsmatig mogen houden van dieren, het doden van dieren en het houden van evenementen met dieren. Daarnaast zijn er aanvullende regels opgenomen ten aanzien van dierenmishandeling. Tot slot worden de bevoegdheden van de dierenarts, het uitvoeren van lichamelijke ingrepen bij dieren en in hoeverre deze zijn toegestaan, hier geregeld.

Een belangrijk onderdeel van de Wet dieren is de ‘huis- en hobbydierenlijst’ (positieflijst) voor zoogdieren (sinds 1 juli 2024). Dit is een lijst van zoogdieren die in Nederland gehouden mogen worden. Deze regelgeving omvat tevens een overgangsregeling voor eigenaren die bij inwerkingtreding al in bezit zijn van een dier dat niet op de lijst staat. Op termijn komen er ook huis- en hobbydierenlijsten voor vogels, reptielen, amfibieën en vissen. Een en ander zal ook gevolgen hebben voor het huisdierbezit en de verkoop en handel van dieren binnen de gemeente.

Omgevingswet

Op 1 januari 2024 trad de Omgevingswet in werking. Deze wet verving de Wet natuurbescherming uit 2017. Het is daarmee de belangrijkste wet voor de bescherming van in het wild levende dieren en hun leefomgeving. In de Omgevingswet is de bescherming vooral gericht op soorten die vanuit internationale afspraken beschermd moeten worden door Nederland (o.a. EU Vogel- en Habitatrichtlijn). Voor de ‘overige’ soorten is er een basisbeschermingsregime en geldt voor alle soorten een zorgplicht. De Omgevingswet is, net als de Wet dieren, een kaderwet. Belangrijke uitvoeringsregels staan onder meer in:

  1. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal),
  2. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en in
  3. Het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling.

Deze regels gaan bijvoorbeeld over de uitvoering van de jacht, beheer en schadebestrijding.

Net als onder de Wet natuurbescherming zijn veel bevoegdheden voor natuur- en soortenbescherming onverminderd gedecentraliseerd naar de provincies.

In hoofdstukken 7 en 8 van deze wet wordt verder ingegaan op de regels in de Omgevingswet. In relatie tot de hengelsport moet in dit verband de Visserijwet 1963 nog genoemd worden: de gemeente heeft een belangrijke rol in het verstrekken van visvergunningen op haar gronden.

Wet op de dierproeven

Dierproeven zijn in principe verboden. Om dierproeven te mogen uitvoeren heeft een instelling

(bijvoorbeeld een universiteit of farmaceutisch bedrijf) een instellingsvergunning van het ministerie van

Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) nodig en de onderzoekers een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Aan welke eisen en voorwaarden de instellingen en onderzoekers nog meer moeten voldoen, staat beschreven in de Wet op de dierproeven (Wod) en in het bijbehorende Dierproevenbesluit. In deze wet- en regelgeving is ook vastgelegd voor welke limitatieve doeleinden dierproeven wel of niet verricht mogen worden.

Gemeenten kunnen te maken krijgen met dierproeven doordat zich binnen hun gemeentegrenzen bijvoorbeeld zo’n vergunde universiteit of farmaceutisch bedrijf bevindt. Daar kunnen vragen over zijn, bijvoorbeeld van bezorgde bewoners. Kijkend naar de hiervoor beschreven bevoegdhedenverdeling hebben gemeenten hier echter geen formele rol in toebedeeld gekregen.

Ruimtelijke ordening in de Omgevingswet

De gemeente is uiteraard verantwoordelijk voor een groot aantal lokale onderwerpen, inclusief het afgeven van vergunningen die daarmee samenhangen. Een aantal daarvan is direct relevant voor onderwerpen in deze nota. Bijvoorbeeld in relatie tot de vestiging en uitbreiding van veehouderijbedrijven en het realiseren van schuilstallen.

De hiervoor al aangehaalde Omgevingswet regelt de inrichting van het land. Zowel de Rijksoverheid, de provincies als gemeenten dienen hierover beleid op te stellen in omgevingsvisies en –verordeningen, die betrekking hebben op hun eigen grondgebied. De verdere uitvoering van deze visie geschiedt via omgevingsplannen. Daarin staat concreet beschreven welke doeleinden zijn toegewezen aan de verschillende gebieden en wijken (zoals recreatie, landbouw of wonen), en wat daar onder welke voorwaarden mag gebeuren. Bijvoorbeeld in hoeverre uitbreiding van een veehouderijbedrijf is toegestaan (aantal dieren of anderszins). Dit kan ook relevant zijn voor het al dan niet mogen plaatsen van een schuilstal (lees: een bouwwerk) in het buitengebied.

De Omgevingswet verving ook hier eerdere wetgeving.Te noemen zijn:

  1. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), en
  2. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

APV/evenementen

Op grond van artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op ‘openbare samenkomsten en vermakelijkheden’. Dit raakt aan aspecten van openbare orde en veiligheid, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Vaak wordt deze bevoegdheid nader uitgewerkt in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en stelt de gemeente in dit kader ook een evenementenbeleid op. Daarin is onder meer bepaald voor welke evenementen een vergunning nodig is. Hier ligt een link naar evenementen met de beoogde inzet van dieren.

In globale zin is de algemene regelgevende bevoegdheid van gemeenten van belang, zoals die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de lokale APV. In de Model-APV van de VNG staan meerdere voorbeeldbepalingen over dieren, bijvoorbeeld over het omgaan met het ervaren van overlast door gehouden dieren en over gevaarlijke honden.

Bewaarplicht gevonden dieren Burgerlijk Wetboek

In het kader van de gevonden-voorwerpenregeling in het Burgerlijk Wetboek heeft de gemeente een bewaarplicht voor de duur van veertien dagen met betrekking tot zwervend aangetroffen huisdieren met een vermoedelijke eigenaar (zie in het bijzonder art. 5:8 lid 3 Burgerlijk Wetboek). In dit overzicht met belangrijkste wet- en regelgeving in relatie tot dieren(welzijn) in de gemeente, mag dit niet onvermeld blijven, ook omdat het de basis vormt van het particuliere dierenambulancevervoer en het opvang-/asielwerk van (huis)dieren in Nederland. Zie voor meer informatie hoofdstuk 2 over dieren in nood.

Zelfregulering

Het is bij dit alles goed om te beseffen, dat er nadrukkelijk méér van belang is dan wat er in de (belangrijkste) wetgeving precies wordt bepaald en voorgeschreven over de relatie tussen dieren(welzijn) en de gemeente. Bij de geschetste kaderwetgeving met ‘open normen’ en de ‘terugtredende (Rijks)overheid’ hoort ook, dat lagere overheden een eigen, passende rol voor zichzelf formuleren. Zoals uit deze nota blijkt, kan en mag een gemeente van alles doen wat dienstbaar is aan dierenwelzijn binnen de eigen gemeentegrenzen en -bevoegdheden. Dat kan dus ook zijn: het maken van passend beleid en (het stimuleren van) zelfregulering op allerlei diergerelateerde terreinen. De Dierenbescherming kan hierbij helpen.

Concrete aanbevelingen voor gemeenten

Lees hieronder per onderwerp welke aanbevelingen de Dierenbescherming heeft voor gemeenten, de meest voorkomende situaties, de belangrijkste uitdagingen en de rol van de gemeente.

Voor diervriendelijke gemeenten

Of het nu een hond in het park is, een kat op een motorkap, een eend in het water, een rat bij het afval of een vlinder in de tuin: er zijn veel dieren die het leven in de gemeente geur en kleur geven. Om dit zo te houden is goed beleid nodig. We helpen ook jouw gemeente graag op weg.

Meer informatie Contact