Veelgestelde vragen

Dit zijn asielen die niet alleen werken volgens de wettelijke eisen uit het Honden- en kattenbesluit 1999, maar ook nog eens voldoen aan extra (welzijns)eisen van de Dierenbescherming. Zo moet men zich houden aan het euthanasiebeleid van de Dierenbescherming en mogen medewerkers of bestuursleden van een erkend asiel niet zelf fokken, niet handelen in dieren of jagen. Lees meer over de erkenningsregeling.

Elk jaar worden duizenden dieren mishandeld, verwaarloosd of zelfs totaal vergeten. Jouw steun aan de Dierenbescherming is hard nodig om deze dieren te helpen. Al met een vaste bijdrage vanaf € 2,50 per maand geef je dieren een beter leven. Je kunt je hier aanmelden of bellen naar nummer 088 81 13 000. Als lid van de Dierenbescherming ontvang je vier keer per jaar het tijdschrift DIER.
Een notariële schenking is een periodieke gift aan de Dierenbescherming die je voor minimaal vijf jaar vastlegt in een notariële akte. Met deze schenking kan je het werk van de Dierenbescherming structureel steunen en profiteer je van optimaal belastingvoordeel; giften die je in een overeenkomst voor tenminste vijf jaar vastlegt, zijn namelijk aftrekbaar van de belasting. Lees hier meer.
Zoek allereerst in je eigen omgeving, en vraag buren en buurtgenoten om je te helpen. Met name katten kunnen soms een paar dagen zoek zijn, zonder dat je je meteen zorgen hoeft te maken. Je kunt in de buurt affiches ophangen met een foto van je dier en in het plaatselijke asiel of bij de Dierenbescherming navragen of je dier is binnengebracht. Sinds mei 2011 hebben wij de website Mijndieriszoek.nl, die je kunt inzetten bij de zoektocht naar een vermist huisdier. Met een stappenplan geef je het signalement van je dier op, dat je plaatst in een overzicht met vermiste dieren. Ook vind je er meldingen van gevonden dieren, kun je zelf een opsporingsposter maken en handige zoektips opdoen.
Meldingen van dierenverwaarlozing en -mishandeling komen binnen bij het landelijke meldnummer 144. Vanuit 144 worden de meldingen uitgezet bij verschillende handhavende organisaties of bij het Vertrouwensloket  van de Dierenbescherming. Slechts een deel van de meldingen komt via de Dierenpolitie bij de LID terecht.
 
Als door de Dierenpolitie een aantasting van het dierenwelzijn wordt geconstateerd, kan de LID op het gebied van gezelschapsdieren worden ingeschakeld om bestuursrecht toe te passen. Bestuursrecht is gericht op het herstellen van de overtreding. Als herstel mogelijk is, worden er met de eigenaar concrete afspraken gemaakt voor de verbetering van het dierenwelzijn ter plaatse. De naleving daarop wordt gecontroleerd door de LID. In ernstige gevallen, waarin er geen uitzicht is op verbetering van de situatie, kunnen de dieren in bewaring worden genomen. Het weghalen van dieren gebeurt echter niet zomaar en vindt altijd plaats in nauw overleg met Dienst Regelingen (onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken). In een hersteltraject kan het voor betrokkenen lijken alsof er niets gebeurt, maar achter de schermen wordt er dan wel hard gewerkt aan het verbeteren van dierenwelzijn.
 
Er zijn ook situaties denkbaar waarbij het dierenwelzijn niet optimaal is, maar waarbij er geen dierenwelzijnswetten worden overtreden. Deze meldingen komen doorgaans terecht bij het Vertrouwensloket van de Dierenbescherming die deze meldingen doorzet naar de regionale afdelingen van de Dierenbescherming. De afdelingen werken met preventiemedewerkers, vrijwillige inspecteurs die preventief de situatie voor het dier proberen te verbeteren. Zij hebben geen wettelijke bevoegdheden, maar kunnen veelal door hun ervaring een helpende hand bieden.
 
Als je melding wilt doen van dierenleed, bel dan het landelijke meldnummer 144.
Gemeenten hebben de wettelijke plicht om gevonden voorwerpen, waartoe gek genoeg ook dieren behoren, een poosje te bewaren, zodat de rechtmatige eigenaar tijd heeft om zijn eigendom terug te halen. Honden en katten die zwervend op straat worden aangetroffen, moeten daarom veertien dagen in de opvang blijven. Daarna mogen ze naar een nieuw baasje. De dieren blijven zo lang in het asiel als nodig is, maar het is van groot belang dat er zo snel mogelijk een nieuw plekje voor ze wordt gevonden. Dat is ook de voornaamste taak voor onze dierenopvangcentra: een nieuw thuis vinden voor al hun tijdelijke logés.
Wij willen dat zwerf- en afstandsdieren in bedrijfsmatig werkende asielen worden opgevangen, waar voldoende deskundigheid aanwezig is voor een juiste verzorging van de dieren. Deze asielen moeten aan alle wettelijke en dierenbeschermingseisen voldoen. De opvang dient nadrukkelijk tijdelijk van aard te zijn, gericht op herplaatsing van de dieren. Opvang door goedwillende particulieren behoort altijd in dienst te staan van uiteindelijke opname in, en doorplaatsing door, een gespecialiseerd, bedrijfsmatig geëxploiteerd asiel.

Er zijn in Nederland ongeveer honderd verschillende opvangcentra voor huisdieren zoals honden, katten en konijnen. Bijna de helft van deze centra werkt samen met of is onderdeel van de Dierenbescherming. Daarnaast zijn er nog eens ongeveer honderd opvangcentra voor dieren in het wild, zoals egels en allerhande vogels. Deze centra maken geen deel uit van de Dierenbescherming. De opvang van dieren is altijd tijdelijk: voor gezelschapsdieren wordt zo spoedig mogelijk een nieuw thuis gezocht en wilde dieren worden zo mogelijk teruggeplaatst in hun natuurlijke omgeving. Kijk ook op www.ikzoekbaas.nl d? website voor asieldieren.

In dergelijke gevallen zal de Dierenbescherming proberen iets te regelen voor tijdelijke opvang of hulp. Ook kunnen wij veel tips en adviezen geven over mogelijke oplossingen, zodat degene die belt toch verder wordt geholpen. Zoek het adres van de dichtstbijzijnde Dierenbescherming.

Nee, niet zomaar. In de wet staat dat je voor het opvangen van dieren in een opvangcentrum een bewijs van vakbekwaamheid nodig hebt. Dat krijg je pas als je de desbetreffende opleiding hebt gevolgd.
Voor het vervoeren van dieren zijn bepaalde regels, maar er zijn geen aparte regels voor het werk van dierenambulances. De Dierenbescherming ziet het vervoer van dieren als een onderdeel van de keten dierenhulp en heeft hier zelf regels voor opgesteld. Hieronder een aantal regels:

  • De belangrijkste taak van een dierenambulance is het vervoeren van gewonde en zieke dieren naar de dierenarts of een asiel. Of het om huisdieren gaat of in het wild levende dieren, mag niet uitmaken: alle dieren moeten worden geholpen.
  • Verder moeten ambulances hulpverlenen in acute noodsituaties, zoals bij gewonde, vastzittende of beknelde dieren en bij aanrijdingen en branden. Dierenambulances kunnen ook bijdragen aan sociale (dieren)noodhulp. Denk aan het vervoer van huisdieren naar en van de dierenarts, het transporteren van zwerfdieren, het transporteren van dode dieren en het ondersteunen van de politie. Acute dierennoodhulp krijgt altijd voorrang boven sociale (dieren)noodhulp.
  • Alle chauffeurs en bijrijders op een ambulance moeten aantoonbare kennis van dieren-EHBO hebben. Dit houdt in dat men de gezondheidssituatie van het dier herkent, het dier kan stabiliseren voor transport, zo snel mogelijk deskundige hulp (van een dierenarts) weet in te schakelen en zakelijke informatie kan geven voor een juiste diagnose. Daarnaast dient iedere medewerker die met dieren werkt de basiscursus Medewerker Dierenambulance te hebben gevolgd.
  • Meldkamermedewerkers moeten de cursus Meldkamermedewerker dierenambulance gevolgd hebben.

Nee, de Dierenbescherming krijgt geen subsidie voor de opvang van dieren. Gemeenten hebben een wettelijke taak om zwervende huisdieren gedurende veertien dagen op te vangen. Voor die opvang moeten gemeenten wel betalen, maar dat is geen subsidie. Voor wilde dieren is helaas niemand verantwoordelijk en is er dus ook niets geregeld voor de vergoeding van de opvangkosten.

Zwerfdieren mogen in principe niet geweigerd worden. Daar staat tegenover dat een asiel te kampen kan hebben met te grote drukte of een besmettelijke ziekte. In dergelijke gevallen is het verstandig om mensen door te verwijzen naar een andere opvang.
Als het gaat om dieren waar iemand afstand van wil doen, kunnen er goede redenen zijn waarom een opvang deze niet opneemt. Hoofdtaak van een opvangcentrum is immers de opvang van zwerfdieren en die gaan altijd voor. Bovendien kan het direct al duidelijk zijn dat het dier in kwestie niet plaatsbaar is bij een nieuwe eigenaar; denk aan dieren met ernstige gezondheids- of gedragsproblemen. In dergelijke gevallen kan een dier ook geweigerd worden, alleen al vanwege het feit dat opvang in een kennel voor het dier zeker niet de beste oplossing is. Er zal dan vaak wel worden meegedacht over andere oplossingen, maar het centrum is niet verplicht het dier op te nemen.

Nee, wel moet elke gemeente de opvang van zwerfdieren geregeld hebben. Dat hoeft daarentegen niet met een eigen opvangcentrum. In de praktijk besteden gemeenten deze zorg uit bij opvangcentra in de regio en betalen daarvoor een vergoeding.

Wie een dier uit het asiel haalt, betaalt daarvoor. Maar ook als je je dier naar het asiel brengt en afstand doet, kost dat geld. De zorg voor dieren kost immers veel geld en ook al wordt een deel van die kosten door de gemeente vergoed, dan nog blijft het nodig dat je als eigenaar bijdraagt aan de kosten. Wij vinden dat een heel normale zaak.

De Dierenbescherming is met name gericht op het welzijn van dieren in Nederland. Wij houden ons derhalve niet direct bezig met de opvang van huisdieren in het buitenland. Wel steunen wij het werk van de Stichting Buitenlandse Asielen (SBA), die enkele tientallen asielen steunt in diverse landen. Meer informatie vindt u op de website van de SBA.

Dit zijn asielen die niet alleen werken volgens de wettelijke eisen uit het Honden- en kattenbesluit 1999, maar ook nog eens voldoen aan extra (welzijns)eisen van de Dierenbescherming. Zo moet men zich houden aan het euthanasiebeleid van de Dierenbescherming en mogen medewerkers of bestuursleden van een erkend asiel niet zelf fokken, niet handelen in dieren of jagen. Lees meer over de erkenningsregeling.

Veemarkten zijn niet meer van deze tijd en moeten worden afgeschaft. Het inladen, vervoeren, uitladen, het verblijf op de veemarkt, weer inladen, vervoer en weer uitladen, geeft te veel stress voor de dieren. Zolang bedrijven niet gesloten zijn of in één-op-één-relaties werken, moet de handel dan ook zo veel mogelijk via moderne informatie- en communicatietechniek plaatsvinden. Een dier zou niet meer dan twee maal verplaatst mogen worden: naar een andere veehouderij en naar het slachthuis.
De Dierenbescherming wijst het onbedwelmd, levend koken en het levend doormidden snijden van kreeften af. Omdat een kreeft vrij groot is en een dik pantser heeft, duurt het tenminste dertig seconden voor de kreeft dood is. Je ziet dan ook dat de kreeft reageert op de hitte door te proberen om te ontsnappen. Bij het levend doorsnijden verzetten de dieren zich ook heftig. De meest humane methode is het elektrocuteren van de kreeft in een waterbad. Het dier raakt bedwelmd en kan daarna snel gekookt worden, zonder weer bij te komen. Er is geen wetgeving voor het doden van kreeften in Nederland en de Europese Unie. De Dierenbescherming zet zich al jaren in voor het invullen van wetgeving voor het doden van kreeften (en ook vissen). Wel zijn er onlangs elektrische bedwelmingsapparaten op de markt gebracht waarvan de fabrikanten claimen dat kreeftachtigen in deze apparaten op een juiste manier bedwelmd worden, voordat ze gekookt worden. De Dierenbescherming vindt echter dat er eerst gedegen wetenschappelijk onderzoek gedaan moet worden voordat deze apparaten in gebruik kunnen worden genomen.
Om je mooi en warm aan te kleden, heb je geen bont nodig. Bont is afkomstig van dieren die hier speciaal voor worden gefokt in de bio-industrie, die worden gevangen in wildklemmen, of die worden doodgeslagen. Deze dieren lijden extreem en worden gedood voor een zinloos modeproduct. Veel mensen beseffen niet dat ze echt bont aan hun kleding dragen. Koop dus geen producten waarin bont is verwerkt: geen bontjassen, maar ook geen jassen met bontkragen of laarzen met bontrandjes. Als je niet zeker weet of je met echt bont of nepbont te maken hebt, doe dan de bonttest. Bij twijfel adviseren wij: niet kopen! Meer over bont lees je op de site van Bont voor Dieren.
In Nederland worden jaarlijks meer dan 450 miljoen dieren voor de consumptie gehouden. Ruim 95% hiervan leeft in de intensieve veehouderij, de vee-industrie, waarbij dieren volkomen geïndustrialiseerd tegen zo laag mogelijke kosten zo veel mogelijk moeten produceren. Het gevolg is een leven vol stress, pijn en verveling. Denk daarbij aan de absurd snelle groei en het ruimtegebrek bij vlees- en legkippen, ruimtegebrek en stress bij varkens en bloedarmoede en transportproblematiek bij kalveren. De veehouderij is de afgelopen decennia steeds verder geïndustrialiseerd. De dieren in deze industrie zijn meer en meer verworden tot dingen, productiemiddelen. Wij willen deze ontwikkeling ombuigen. Er moet letterlijk en figuurlijk veel meer ruimte komen voor dierenwelzijn. De veehouderij dient zich meer te richten op het creëren van 'vlees, zuivel en eieren met meerwaarde', waarbij die meerwaarde ook slaat op beter dierenwelzijn.
Het Beter Leven keurmerk geeft door middel van een sterrensysteem aan hoe diervriendelijk vlees, kip en eieren zijn. Hoe meer sterren, des te diervriendelijker het product is. Helaas wordt nog geen 1% van de jaarlijks 450 miljoen dieren in de Nederlandse veehouderij in diervriendelijkere systemen als biologisch gehouden. Om ook voor die overige 99% van het vee verbeteringen te bewerkstelligen, heeft de Dierenbescherming in 2007 het sterrensysteem van het Beter Leven keurmerk geïntroduceerd. Bij één ster bijvoorbeeld krijgt een kuiken meer tijd om te groeien en meer ruimte en afleiding. Bij twee sterren krijgt een varken stro en een uitloop naar buiten. Drie sterren is het meest diervriendelijk en vergelijkbaar of gelijk aan biologisch.

Kijk voor meer informatie op beterlevenkenmerk.nl.

De Dierenbescherming vindt dat het onverdoofd slachten van dieren verboden moet worden en heeft daar dan ook nationaal en internationaal voor gepleit. Onverdoofd slachten is heel stressvol en pijnlijk: de dieren worden op hun zij of rug gelegd en het aansnijden van de keel is pijnlijk. Afhankelijk van de diersoort en de wijze waarop de keel wordt doorgesneden, kan het enkele tot tientallen seconden duren voor het dier buiten bewustzijn is. Jammer genoeg staan de orthodox Joodse gemeenschap en een deel van de Islamitische gemeenschap niet open voor bedwelmd slachten. Daar staat tegenover dat een groot deel van de Islamitische gemeenschap mede dankzij inzet van de Dierenbescherming wel akkoord is met bedwelmen voorafgaand aan het slachten. Er wordt dan gekozen voor ‘reversibele bedwelming’, een bedwelming waar het dier in principe weer uit kan ontwaken. Helaas kun je aan het predicaat ‘Halal’ (= voldoend aan de Islamitische voorschriften) op vlees niet zien of er sprake is van bedwelmde of onbedwelmde slacht. Daarom dringt de Dierenbescherming er op aan dat dit duidelijk op het vlees vermeld wordt, zodat mensen niet ongewild vlees kopen van onbedwelmd geslachte dieren. Op verzoek van de Dierenbescherming hebben de supermarkten geregeld dat zij alleen Halal-vlees verkopen van bedwelmd geslachte dieren.

Voorjaar 2011 boog de Tweede Kamer zich over een wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren om onbedwelmd slachten alsnog te verbieden. Helaas hield de Eerste Kamer het verbod tegen. Het convenant dat vervolgens werd gesloten, vindt de Dierenbescherming zeer onbevredigend. Voor het welzijn van de dieren verbeterde er niets.

Levende dieren moeten zo weinig mogelijk vervoerd worden. Alleen al het klaarmaken voor transport en het in- en uitladen veroorzaken veel angst en stress. Tijdens veetransport vindt veel dierenleed plaats en tijdens langdurig veetransport raken veel dieren uitgeput, gewond, ziek, of sterven zelfs. Onnodig vervoer van levende dieren van het ene bedrijf naar het andere moet ophouden. In plaats daarvan moeten er gecombineerde bedrijven komen, waar dieren hun hele leven blijven. Een transportduur voor slachtvee van acht uur is voor de Dierenbescherming het absolute maximum. De Dierenbescherming zet zich samen met haar Europese koepel, Eurogroup for Animals, in voor aanscherping en betere naleving van de transportregels. Op grond van onderzoeken van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming zijn klachten ingediend bij de Europese Unie. Die werkt nu aan herziening van de welzijnsvoorschriften voor diertransporten in Europa.

Lees ook het dossier 'Kalvertransport'.

Per wijk is er een wijkhoofd, die niet alleen met je afspreekt in welke straat/straten je gaat collecteren, maar hij/zij zorgt er ook voor dat je een collectebus krijgt of op kunt halen.

Elk jaar mogen we één week lang (altijd de week rondom Dierendag) collecteren in heel Nederland. Dus 1 keer per jaar. Alleen in die week mag je collecteren. Dat mag overdag of ’s avonds - vanaf 10:00 uur ’s morgens tot 20:00 uur ’s avonds. Je mag tijdens de collecteweek zelf bepalen hoeveel tijd je eraan besteedt en op welke dag/dagen je wilt collecteren*. Een paar uur collecteren in je eigen buurt levert al gauw 75 euro op! Zo kun je natuurlijk nog eens langsgaan bij huizen waar je niemand thuis trof.

* Op zondag collecteren wij niet huis aan huis.

Het geld dat wordt opgehaald, wordt goed besteed. Denk daarbij aan onze eigen dierenopvangcentra*, dierenambulances* en het inspectiewerk (vrijwillige preventiemedewerkers die zich regionaal inzetten om dierenleed te voorkomen). De Dierenbescherming is de enige organisatie die zich al 150 jaar inzet voor het welzijn van álle dieren in Nederland. We zijn geen overheidsinstelling en kunnen ons werk alleen doen dankzij de giften en contributie van leden en donateurs én de opbrengst van de jaarlijkse collecte rond 4 oktober, op Werelddierendag. Het organiseren van een collecte kost ook geld, denk bijvoorbeeld aan de kosten voor het maken van collectemateriaal (legitimatiebewijs, posters enz.) en de salarissen van medewerkers op kantoor. Uiteraard worden deze kosten zo laag mogelijk gehouden. Het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) bepaalt dat de kosten niet hoger mogen zijn dan 25 procent van de inkomsten uit fondsenwerving, over een periode van drie jaar. Daar zit de Dierenbescherming ruim onder. Klik hier voor de opbrengsten in 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016.

* In tegenstelling tot wat veel mensen denken, zijn niet alle asielen, dierenambulances en hondenscholen in Nederland onderdeel van de Dierenbescherming. Wil je weten welke dat wel zijn? Overzicht asielen (met sterretje zijn onderdeel van de Dierenbescherming) Overzicht hondenscholen Overzicht dierenambulances De volgende asielen en ambulances behoren niet meer tot de Dierenbescherming: Dierentehuis Beilen, Dierenopvang en Dierenambulance Schagen, Dierencentrum Achterhoek, Haags Dierencentrum en, Dierentehuis Arnhem, Dierenopvang ’t Heerveld, Dierenasiel Tiel, Nomadenhof Sneek en Zwerfkatten Rijnmond.

De Dierenbescherming bestaat uit één landelijke vereniging met vier regio’s. Klik hier voor nieuws, activiteiten en vacatures in de regio. Je vindt hier ook contactgegevens van onze regiokantoren, dierenambulances, asielen en hondenscholen.

Een landelijk team is verantwoordelijk voor de organisatie van de collecte van de Dierenbescherming. Het team is te bereiken via collecte@dierenbescherming.nl en via 088-8113000. Daarnaast zijn er in het land duizenden collectevrijwilligers actief: onze wijkhoofden en collectanten. Zij zorgen ervoor dat de collecte in een wijk of dorp wordt georganiseerd en/of gaan met de collectebus langs de deuren.

In de loop van ruim een eeuw collecteren hebben we een heleboel ervaring opgedaan. Daaruit hebben we een tiental handige tips gedestilleerd, waar je je voordeel mee kunt doen. Dus lees de tips en behaal een optimaal resultaat voor de dieren!

10 collectetips

1. Laat iedereen weten dat je gaat collecteren voor de collecte van de Dierenbescherming en kondig

jouw komst aan op social media.

2. Kies het juiste tijdstip om te collecteren. Aan het einde van de dag zijn de meeste mensen thuis.

3. Collecteer aan het begin van de week, bijvoorbeeld maandagavond. Je kan dan later in de week nog een keer terug gaan als mensen niet thuis zijn.

4. De beste plek om te collecteren is jouw eigen straat! Een bekend gezicht nodigt eerder uit om wat te geven. Maar denk ook aan collecteren op je werk, op evenementen en in horecagelegenheden.

5. Ga goed geïnformeerd op pad. Mensen waarderen het als je kan vertellen wat we met hun gift doen.

Let op: niet alle dierenasielen en dierenambulances behoren tot de Dierenbescherming!

6. Met z’n tweeën collecteren is gezelliger en sneller.

7. Houd je aan de afgesproken straten, anders krijgen mensen meerdere malen collectanten aan de deur en dat wekt irritatie op.

8. Mensen willen weten of ‘het in orde is’. Zorg dus dat jouw legitimatiebewijs goed zichtbaar is.

9. Bel aan en stap dan achteruit. Te dichtbij staan komt opdringerig over.

10. Wees vrolijk en enthousiast. Zeg dat je voor de Dierenbescherming collecteert en vraag vriendelijk om een gift. Bedank voor elke bijdrage hoe klein ook. Blijf beleefd, ook als mensen niets geven!

Per wijk is er een wijkhoofd, die in augustus/september (telefonisch) contact met je opneemt om af te spreken in welke straat/straten je kunt gaan collecteren. Je collecteroute bepaal je dus in overleg met je wijkhoofd. Je hoeft nooit in straten te collecteren die je niet wilt (sommige collectanten vinden het fijn om in de eigen straat te collecteren, anderen juist weer niet). Als je het leuker vindt om in een winkelcentrum of op de markt te collecteren, dan kan dat vaak ook. Ook dit spreekt je af met je wijkhoofd. Het wijkhoofd zorgt er ook voor dat je een collectebus krijgt of op kunt halen.

Na de collecte lever je de bus en het legitimatiebewijs weer bij het wijkhoofd in en tel je de inhoud van de collectebus samen. Je weet dus meteen wat jouw inspanningen hebben opgeleverd!

Natuurlijk mag dat! Het is bovendien vaak gezelliger om met iemand anders te gaan. Als hij/zij een eigen collectebus wil, kun je dat doorgeven aan je wijkhoofd. Voor kinderen onder de veertien jaar geldt dat zij alleen onder begeleiding van een volwassene mogen collecteren. Dit kan overigens per gemeente verschillen, maar veertien jaar is de meest voorkomende leeftijdsgrens om zelfstandig te mogen collecteren. Uiteraard mogen je kind/kinderen wel altijd met jou meelopen. Dit werkt vaak nog beter!

Je kunt hier je gegevens invullen, dan nemen wij contact met je op. Alvast bedankt!

De collecte is elk jaar in de week rondom Werelddierendag. We mogen dan een week lang in heel Nederland collecteren. Dit jaar is de jaarlijkse landelijke collecteweek van 1 t/m 7 oktober 2017.

We vinden het heel spijtig dat je onze hulp aan dieren in nood niet meer wilt of kunt steunen. Maar natuurlijk respecteren wij je keuze en zijn we je zeer dankbaar voor je trouwe steun. Graag verwelkomen wij je in de toekomst weer als lid of donateur. Opzeggen kan door te bellen met het team Service & Informatie via telefoonnummer 088 81 13 000.
Ben je al lid of donateur van de Dierenbescherming en wil je je gegevens wijzigen? Dat kan telefonisch via T 088 81 13 000.

De contributie betaal je voor het lopende jaar. Als je lid wordt in de loop van het jaar, betaal je het volledige contributiebedrag van € 28,-, tenzij je maandelijks betaalt. Word je lid na 1 oktober, dan betaal je uitsluitend de contributie voor het volgende jaar. Je kunt de contributie op verschillende manieren betalen:

  • Met automatische incasso: dit is veruit de makkelijkste manier voor beide partijen. Het is voor de Dierenbescherming ook goedkoper, omdat wij geen betalingsverzoek(en) hoeven te sturen. Deze besparing komt weer ten goede aan de dieren. Je hebt de keuze om per maand of per jaar te betalen.
  • Met acceptgiro: aan het begin van het jaar krijg je een betalingsverzoek met acceptgiro toegestuurd. Zo nodig volgt enige tijd later nog een herinnering.
Elk jaar worden duizenden dieren mishandeld, verwaarloosd of zelfs totaal vergeten. Jouw steun aan de Dierenbescherming is hard nodig om deze dieren te helpen. Al met een vaste bijdrage vanaf € 2,50 per maand geef je dieren een beter leven. Je kunt je hier aanmelden of bellen naar nummer 088 81 13 000. Als lid van de Dierenbescherming ontvang je vier keer per jaar het tijdschrift DIER.
Een notariële schenking is een periodieke gift aan de Dierenbescherming die je voor minimaal vijf jaar vastlegt in een notariële akte. Met deze schenking kan je het werk van de Dierenbescherming structureel steunen en profiteer je van optimaal belastingvoordeel; giften die je in een overeenkomst voor tenminste vijf jaar vastlegt, zijn namelijk aftrekbaar van de belasting. Lees hier meer.
Jazeker, je kan ons als bedrijf steunen met een bijdrage vanaf € 100,- per jaar. Je ontvangt dan vier keer per jaar het magazine DIER in een oplage van vijf exemplaren. Wil je als bedrijf meer doen dan alleen een lidmaatschap, lees dan hier over alle mogelijkheden.

Aan het CBF-Keur kan het publiek zien dat wij een betrouwbare, steunwaardige organisatie zijn. De onafhankelijke stichting Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) beoordeelt of goede doelen op een verantwoorde manier geld ophalen en of ze dat geld ook goed besteden. Om het CBF-Keur te verkrijgen moeten instellingen voldoen aan strenge criteria voor bestuur, beleid, fondsenwerving, voorlichting en communicatie, besteding van de middelen en verantwoording.
Laten de fondsenwervers duidelijk zien wie zij zijn en voor welk doel of activiteit ze geld ophalen? En gaat het geld daar ook daadwerkelijk naartoe? Spelen zij niet zonder toestemming gegevens van donateurs door aan derden? Allemaal zaken waar het CBF naar kijkt. Ook beoordeelt het CBF of de gemaakte kosten voor beheer en administratie niet te hoog zijn. Mede daarom moeten goede doelen een kwaliteitssysteem hebben om hun bestedingen bij te houden, te evalueren en waar nodig bij te stellen. Uiteraard moeten zij ieder jaar een jaarverslag en jaarrekening publiceren, waarin zij (financiële) verantwoording afleggen.
Het CBF-Keur wordt afgegeven voor een periode van vijf jaar, waarbij jaarlijks wordt getoetst of de organisatie nog aan de eisen voldoet.

Lees meer op de website van het CBF.

Dieren die gewend zijn aan een leven buiten, zullen niet gauw in de problemen komen. Bij extreem lang aanhoudende kou is het onze plicht om dieren te helpen. We komen elk jaar met uitgebreide voorlichting over de hulp aan dieren in de winter. Meer informatie lees je hier.

Door extreme, en lang aanhoudende warmte kunnen (huis)dieren in de problemen komen. Het is dan onze plicht deze dieren te helpen. De Dierenbescherming komt elke zomer met uitgebreide voorlichting over de hulp aan dieren tijdens extreme warmte.

Bekijk de speciale website.

De Dierenbescherming vindt dat de grote grazers (heckrunderen, konikpaarden, edelherten) in de Oostvaardersplassen er nooit uitgezet hadden mogen worden. Toch zijn de dieren er nu eenmaal en moet er correct met ze worden omgegaan. Bijna dertig jaar na hun introductie zijn het wilde dieren geworden, die met rust gelaten moeten worden. De natuur bepaalt welke dieren er blijven leven en welke niet. De Dierenbescherming is fel tegen het ‘preventief’ afschieten (zie ook de onderstaande vraag: Wat vindt de Dierenbescherming van de jacht?). Mede onder druk van de Dierenbescherming is er nu een vorm van beheer waarbij de dieren zo veel mogelijk met rust worden gelaten en waarbij alleen bij duidelijk lijden wordt ingegrepen met ‘reactief afschot’. Wij mensen hebben immers een zorgplicht: bij duidelijk lijden moet worden ingegrepen. Het huidige beheer in de Oostvaardersplassen geeft dieren alle vrijheid om hun natuurlijke gedrag te uiten. Er worden groepen gevormd en er ontstaan sociale structuren, zoals die van nature ook voorkomen: hengsten met een harem, terwijl een clubje jonge hengsten eromheen dwarrelt, wachtend tot hun tijd komt om een harem van een van de oudere hengsten over te nemen. Vossen die ongestoord door dit tafereel heen lopen, doordat ze niet bejaagd worden. Dieren in andere natuurgebieden mogen dan misschien minder kans lopen om dood te gaan door honger of gebrek aan beschutting, daarvoor moeten ze wel erg veel inleveren: rust en een ongestoord leven. De Dierenbescherming kan zich daarom absoluut niet vinden in een beleid waarin jagers bepalen welk dier wanneer moet sterven.
De mens heeft de morele en wettelijke plicht om dieren in nood te helpen. Daarom staan wij positief tegenover het bijvoederen van vogels bij lang aanhoudende kou in de winter. Grootschalig bijvoeren moet alleen niet te vroeg beginnen. Slachtoffers vallen in de eerste plaats onder vogels die toch al een slechte conditie hebben. Goed bedoeld, maar te langdurig bijvoederen verstoort de natuurlijke selectie. Ook zwakke en slecht aangepaste vogels, die normaal gesproken zouden sterven, worden zo de winter doorgeholpen en kunnen zich voortplanten. Daarnaast heeft bijvoederen invloed op het volgende broedsucces (reproductievermogen) en leidt het bij een aantal soorten tot vervroegde leg en meer eieren per seizoen. Dit lijkt gunstig, maar er is aangetoond dat de overleving van vogels met meer eieren lager is dan vogels die niet bijgevoerd worden. Het gevaar bestaat dan ook dat bijvoederen bij bepaalde soorten op den duur ongewenste effecten heeft. Een deel van de vogelsterfte in de winter is een natuurlijk proces, en dat zullen we moeten accepteren.

Bijna alle jacht in Nederland is plezierjacht. De Dierenbescherming is hier tegen: het plezier van mensen weegt niet op tegen het leed dat de dieren wordt aangedaan. Dieren in het wild moeten met rust gelaten worden. Voor de beheerjacht hanteert de Dierenbescherming het ‘nee, tenzij’-principe. Dat betekent dat er geen jacht plaatsvindt, tenzij er geen enkele andere mogelijkheid is. Voordat er gejaagd mag worden, moeten eerst alle mogelijke diervriendelijke opties serieus geprobeerd worden. Normaal gesproken is het zo dat een populatie zichzelf in evenwicht houdt, daar is geen jacht voor nodig. Het ene moment zijn er wat meer dieren dan gemiddeld, maar later kan dat aantal net zo goed onder het gemiddelde liggen. Een gebied biedt slechts aan een vast aantal dieren voldoende voedsel, water en beschutting. Dit wordt ook wel 'draagkracht' genoemd. Zolang de mens hier niet ingrijpt, bijvoorbeeld door bij te voeren, reguleert een populatie zichzelf. De Dierenbescherming is tegen de jacht om schade te bestrijden. Alleen in het uiterste geval, als er sprake is van flinke schade aan gewassen of verkeersonveiligheid, kan hiervan worden afgeweken.

Een aantal diersoorten wordt steeds genoemd in het kader van schadebestrijding:

Ganzen en zwanen
Als deze dieren schade dreigen te veroorzaken, moeten ze niet worden gedood maar verjaagd. Ook kunnen populaties worden gevangen en overgebracht naar een andere plek waar ze minder overlast veroorzaken. De overheid zou meer geld en middelen moeten inzetten voor de ontwikkeling van alternatieve schadebestrijding en –preventie. Zo kan de groei van de populatie ganzen of zwanen worden ingeperkt door nestbeheer (zoals eieren schudden) en kunnen gebieden waar de dieren niet welkom zijn, voorgoed onaantrekkelijk worden gemaakt (bijvoorbeeld door de voedselbron weg te halen).

Vossen
Het doden van vossen is onnodig en het helpt ook niet: elke vrijgevallen plek wordt namelijk weer door een nieuwe vos ingenomen. Vossen hebben in Nederland nog steeds het stigma van kippen- en schapendoder. Om te voorkomen dat vossen kippen doden, volstaat een degelijke ingegraven omheining. Een vos doodt geen volwassen schapen: die zijn veel te groot voor hem. Vossen worden vaak als veroorzaker van een lage weidevogelstand genoemd, maar recent wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat de vos niet de directe boosdoener is. Oorzaken moeten gezocht worden in de verlaging van de grondwaterstand, bemesting en land-, wegen- en woningbouw. Tenslotte wordt de vos verweten overbrenger te zijn van ziekten als rabiës: wees gerust, rabiës komt in Nederland allang niet meer voor.

Muskusratten
Alleen al in 2009 werden in opdracht van de waterschappen 155.000 muskusratten gedood, omdat ze schade zouden veroorzaken aan dijken en oevers. De noodzaak van dit massale doden is echter nooit wetenschappelijk bewezen. Het staat niet vast dat er een relatie is tussen het aantal muskusratten en de schade aan dijken en oevers. Ook is er geen wetenschappelijk bewijs voorhanden dat het aantal muskusratten explosief zal groeien als gestopt wordt met het doden. De Dierenbescherming, Bont voor Dieren en de Faunabescherming hebben in 2011 de waterschappen opgeroepen te stoppen met het doden van muskusratten. Dijken zouden zodanig moeten worden aangepast, dat muskusratten en andere gravers er niet meer kunnen graven. Ook moeten mogelijkheden bekeken worden om de kwaliteit van oevers en dijken in de gaten te houden, bijvoorbeeld met sensoren.

Dieren in het wild moeten met rust worden gelaten en de natuur moet haar gang kunnen gaan. De Dierenbescherming staat desondanks positief tegenover opvangcentra voor dieren in het wild op basis van de zorgplicht die mensen hebben. Het moet dan wel gaan om tijdelijke noodopvang en de opvang moet gericht zijn op terugkeer in de natuur. Een eis is dat in de opvang deskundigheid aanwezig is over de opgevangen dieren. Niet alleen bedreigde dieren worden er geholpen, maar alle dieren in nood. Wanneer terugplaatsen van het dier in de natuur niet mogelijk is, moet het dier worden geëuthanaseerd. De opvang beschikt over een goede ziekenboeg en quarantaineruimte.
Het bejagen of doden van dieren helpt niet om overlast tegen te gaan. Het is dieronvriendelijk, kost veel geld en het helpt aantoonbaar niet. Overlast door stadsduiven kun je tegengaan door de gebieden waar je ze niet wilt hebben onaantrekkelijk te maken en tegelijkertijd gebieden aantrekkelijk te maken waar ze geen problemen veroorzaken, de zogeheten gedooggebieden. Dit kost meestal een eenmalige investering, maar heeft een langdurig effect. Het onaantrekkelijk maken kan bijvoorbeeld door de hoeveelheid beschikbaar voedsel, zoals etensresten, te verminderen en te zorgen dat de dieren zich niet of nauwelijks kunnen nestelen. Plekken waar de dieren welkom zijn, kunnen aantrekkelijk worden gemaakt door het aanleggen van voerplaatsen en nestgelegenheid (duiventillen). Op deze locaties kan de overheid eventueel selectief en gecontroleerd ingrijpen in de voortplanting van de dieren door eieren te schudden of te vervangen.
Elk jaar worden er duizenden katten gedumpt door mensen die er niet meer voor kunnen of willen zorgen. Een kat die wordt achtergelaten, zal verwilderen en zich aansluiten bij andere zwerfkatten. Zo ontstaan er populaties, waarbinnen veelvuldig nesten worden geboren. Dit levert niet alleen overlast op voor de omgeving, ook voor de dieren is het leed niet te overzien. De Dierenbescherming zet zich in om het zwerfkattenprobleem op diervriendelijke wijze beheersbaar te maken. Een diervriendelijke en succesvol gebleken methode is de TNR-methode (Trap, Neuter, Return): het vangen, castreren en weer terugplaatsen van de katten. Gevangen kittens worden niet teruggeplaatst: deze diertjes worden gesocialiseerd in gastgezinnen, waarna er een eigenaar voor ze wordt gezocht. Teruggeplaatste dieren veroorzaken veel minder overlast doordat ze gecastreerd zijn, want ze sproeien, vechten en krijsen niet meer. Overal in het land zijn werkgroepen van de Dierenbescherming actief met deze methode. Het doden van katten lost niets op, omdat iedere opengevallen plaats meteen weer door een nieuw dier wordt ingenomen.

Ratten en muizen zijn niet alleen maar 'schadelijk', en hebben wel degelijk nut: ze ruimen afval op, zorgen voor de verspreiding van zaden en hebben hun plek in de voedselketen, als voedsel voor roofdieren. Maar ze kunnen inderdaad ook flinke schade aanrichten. Ze knagen niet alleen aan voedsel, maar bijvoorbeeld ook aan elektriciteitsdraden, waardoor kortsluiting kan ontstaan. Ook kunnen er door hun graafactiviteiten verzakkingen ontstaan. En met hun uitwerpselen kunnen ze ziekten overbrengen, zoals de Ziekte van Weil en varkenspest.

Alternatieven voor doden
Om deze schade zo veel mogelijk te beperken, pleit de Dierenbescherming in eerste instantie voor alternatieven zoals:

  • preventie,
  • hygiëne,
  • goed onderhoud en isolatie van huizen,
  • afdoende afscherming van voedsel en voedselafval,
  • voortplantingsregulatie en
  • roofdieren zoals de vos en de kat hun gang laten gaan.

Vallen, klemmen e.d.
De Dierenbescherming is tegen vallen, klemmen, verdrinkingsmethoden en veel chemische middelen. Ze betekenen een lange lijdensweg voor de dieren en vormen grote risico's voor mensen (kinderen) en andere (huis)dieren. Het doden van de muizen en ratten is dweilen met de kraan open. Voor elke dode rat of muis komen er minstens net zoveel terug, omdat het territoriumdieren zijn die zich extra snel voortplanten als er lege plekken ontstaan.

Muskusrat
Alleen al in 2009 werden 155.000 muskusratten gedood omdat ze schade zouden veroorzaken aan dijken en oevers. De noodzaak van dit massale doden is echter nooit wetenschappelijk bewezen. Zo staat niet vast dat er een relatie is tussen het aantal muskusratten en de schade aan dijken en oevers. Ook is er geen wetenschappelijk bewijs voor dat het aantal muskusratten explosief zal groeien als we stoppen met het doden.
De Dierenbescherming, Bont voor Dieren en de Faunabescherming hebben in februari 2011 de waterschappen opgeroepen te stoppen met het doden van muskusratten. In het rapport 'Op alternatieve wijze schade voorkomen' stellen zij voor dijken zodanig aan te passen, dat muskusratten en andere gravers niet meer kunnen graven. Verder worden mogelijkheden beschreven om de kwaliteit van oevers en dijken in de gaten te houden, bijvoorbeeld met sensoren. Een online petitie om dit kracht bij te zetten, werd door bijna 11.000 mensen ondertekend.

Jazeker, de beste methode is om je huis goed schoon te houden. Zorg dat er zo min mogelijk kruimels en andere etensresten achterblijven. Als je dit consequent doet, heb je weinig last van muizen. Eventueel kun je muizen vangen met een muizenvangkooi of een kastval. Daarin vang je de muis levend en kan je hem (binnen 24 uur) ergens buitenshuis loslaten.

Hoeveel zwervende dieren er in ons land zijn, is niet precies bekend. Het aantal loopt in de vele tienduizenden. Katten en konijnen vormen de grootste groep zwervers. In 2012 werden er in onze opvangcentra, met behulp van veel vrijwilligers, 11.684 honden en 30.592 katten opgevangen. Ze waren verdwaald, gedumpt of er kon door omstandigheden niet meer voor ze worden gezorgd. Het aantal konijnen dat in de opvang terechtkomt, groeit. Helaas kunnen we daarvan geen exacte cijfers geven.

Gemeenten hebben de wettelijke plicht om gevonden voorwerpen, waartoe gek genoeg ook dieren behoren, veertien dagen te bewaren, zodat de rechtmatige eigenaar tijd heeft om zijn eigendom terug te halen. Honden en katten die zwervend op straat worden aangetroffen, moeten om die reden twee weken in de opvang blijven.

Onze dierenambulances moeten zichzelf bedruipen. Het vervoer van zieke, gewonde en zwervende dieren is nog niet goed geregeld. De Dierenbescherming ziet het als de wettelijke taak van gemeenten om dit in ieder geval voor gezelschapsdieren te ondervangen. Iedereen die een dier in nood ziet, is wettelijk verplicht dit dier te helpen. Omdat wilde dieren geen eigenaar hebben, zouden provincies, gemeenten of de rijksoverheid hierin hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Dit kan heel goed door opvang en vervoer financieel te ondersteunen. Dat gebeurt incidenteel, maar lang nog niet structureel.
Nee, integendeel zelfs. Het is handig en het levert tijdwinst op als je meehelpt. Een ziek of gewond dier zal zichzelf vaak toch weer verplaatsen, al was het maar om een schuilplaats te zoeken. Door het dier op één plek vast te houden, is het voor de ambulancemedewerkers makkelijk om het te pakken en voor behandeling mee te nemen. Aan de telefoon zal de meldkamer proberen een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de situatie en door middel van instructies en goede afstemming te zorgen voor een goede afloop.
Als een dier in acute nood is, gewond of in een uitzichtloze situatie verkeert, kun je de dierenambulance inschakelen via het landelijke meldnummer 144. De centralist stelt je een aantal vragen, om te bepalen of de inzet van een ambulance noodzakelijk is. Vaak kun je namelijk zelf meer betekenen voor een dier in nood dan je zelf denkt.
Als je een dier in nood ziet, of melding wilt doen van dierenmishandeling of -verwaarlozing kan je bellen met het landelijke meldnummer 144, dat is ondergebracht bij de Landelijke Eenheid (van de Nationale Politie). Speciaal opgeleide politiemensen beoordelen de meldingen en sturen zo nodig het regionale politiekorps op een dier in nood af. Ook kunnen zij een dierenambulance of de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) voor gezelschapsdieren en de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA) voor bedrijfsmatig gehouden dieren inschakelen.

Om de melding zo goed mogelijk te kunnen registreren word je in elk geval gevraagd om gegevens over:
  • het (de) dier(en)
  • de exacte locatie
  • de eigen waarneming
  • jezelf (anonieme meldingen worden niet in behandeling genomen)

Als melder krijg je de garantie dat er zorgvuldig en conform de Wet bescherming persoonsgegevens met je gegevens wordt omgesprongen.

Met de duivensport zijn grote belangen gemoeid, zoals geld en aanzien. De Dierenbescherming vindt daarom de kans op aantasting van de gezondheid en het welzijn van de duiven veel te groot. Het zit in de aard van duiven om te willen vliegen, maar de Dierenbescherming is tegen het vliegen over te lange afstanden. Het transport van duiven moet tot maximaal acht uur (vijfhonderd kilometer) worden beperkt, en liever nog minder (maximaal 250 kilometer). De Dierenbescherming keurt wedstrijdvluchten af waarbij (geldelijk) gewin wordt geplaatst boven de gezondheid en het welzijn van de dieren. Ook kan de Dierenbescherming zich niet vinden in het uitsluitend houden van snelle en foktechnisch goede wedstrijdduiven, terwijl de overige duiven worden afgedankt of als slachtduiven worden afgevoerd. Jonge duiven en/of duiven die niet goed zijn voorbereid mogen niet ingezet worden voor wedstrijden; zij lopen grote kans onderweg te verdwalen of te sterven. Tenslotte is de Dierenbescherming tegen het gebruik van doping (bijvoorbeeld corticosteroïden om de rui te remmen) en trucs (zoals een broedende duif die op een vlucht gezet).

De Dierenbescherming staat zeer kritisch tegenover sport met dieren en dat geldt in principe ook voor de paardensport. Een paard heeft echter wel behoefte aan beweging, sociaal contact en afleiding. Met paardrijden kom je tegemoet aan deze behoefte. Hierbij mag van het dier echter geen bovenmatige inspanning worden verlangd en zijn gezondheid en welzijn moeten worden gewaarborgd. De Dierenbescherming vindt paardensport acceptabel onder de volgende voorwaarden:

  • De dieren zijn qua aard en conditie geschikt voor sport.
  • Dieronvriendelijke trainingsmethoden als barreren, elektrische stroomstoten en pijnlijke bitten zijn uit den boze.
  • De trainingen zijn voor toezicht en controle toegankelijk.
  • Bij het trainen en sporten wordt rekening gehouden met effecten op langere termijn: dieren worden na hun ‘sportcarrière’ afgetraind en begeleid, zodat ze weer ‘normaal’ kunnen functioneren.
  • Dieren mogen niet overbelast worden en nodeloos pijn of stress ondergaan.
  • Trainers hebben een bewijs van vakbekwaamheid (officieel diploma).
  • Voor, tijdens en na de wedstrijden vindt er een onafhankelijke geneeskundige controle plaats door een dierenarts. Zieke, geblesseerde of onder geneeskundig behandeling staande dieren mogen niet aan wedstrijden deelnemen.
  • Er mag geen doping worden gebruikt. Om dit te controleren worden er regelmatig deskundige, onafhankelijke dopingcontroles uitgevoerd.
  • Elk dier heeft een wedstrijdboekje met daarin een uitgebreid medisch rapport, maar ook de gevolgde trainingen en wedstrijden, behaalde resultaten, uitslagen, onderzoeken en dopingcontroles.
  • Er komen strenge reglementen voor onder andere trainingen, wedstrijden, deelname aan wedstrijden, parcours, bouw van hindernissen, weersomstandigheden, uitsluitingen en het uit de wedstrijd nemen, veterinaire en dopingcontroles.
  • Er komen sancties op onreglementair handelen.
De Dierenbescherming staat zeer kritisch tegenover sport met dieren. Grote belangen als prijzengeld en aanzien zijn vaak doorslaggevend om dieren te gebruiken. Door dieronvriendelijke trainingsmethoden en overbelasting kunnen dieren ernstig in hun gezondheid en welzijn worden aangetast. Vaak worden dieren afgedankt als ze niet meer voldoende presteren. De Dierenbescherming vindt dat als er toch sporten met dieren worden georganiseerd, er strenge voorwaarden en reglementen moeten worden opgesteld om gezondheid en welzijn van de dieren te waarborgen. Middelen ter beïnvloeding of bevordering van de prestaties van dieren (onder andere pijnstillend, spierversterkend of stimulerend) zijn niet toegestaan en worden beschouwd als dierenmishandeling. Bij alle sporten en wedstrijden waar dieren aan deelnemen, verricht een onafhankelijke dierenarts een officiële dopingcontrole. Tenslotte zouden dieren die absoluut niet geschikt zijn voor training, sport of werk, daarvoor niet moeten worden gebruikt.

De Dierenbescherming staat zeer kritisch tegenover sport met dieren. Hoewel dat in principe ook geldt voor de hondensport, staan wij positief tegenover behendigheidsporten en andere sporten of spelletjes met honden, waarbij geen wedstrijdelement of winstbejag aanwezig is. Natuurlijk staat gezondheid en welzijn van de honden voorop. Honden hebben doorgaans veel beweging nodig en aan het spel kunnen zowel honden als eigenaren veel plezier beleven. Er zijn diverse vormen van hondensport:

  • De Dierenbescherming vindt recreatieve triatlon voor honden acceptabel als er aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan: de deelnemende honden (en bazen) moeten getraind zijn; training en wedstrijdreglementen moeten diervriendelijk zijn; er mag geen bovenmatige inspanning van de dieren worden verlangd; er moet voldoende rust zijn; de gezondheid en het welzijn mogen niet worden aangetast; parcours- en weersomstandigheden (watertemperatuur, kou, wind, regen, of hitte) moeten zijn afgestemd op de te leveren prestatie; een dierenarts moet voor, tijdens en na de triatlon controles uitvoeren.
  • De Dierenbescherming is tegen windhondenrennen.
  • Wat betreft de sledehondensport: volgens de wet mogen hiervoor alleen de Siberische husky, de Alaskan malamute, de Groenlandse hond, de Samojeed en de eskimohond als trekhond worden gebruikt. Andere honden zouden niet ingezet moeten worden voor sledehondensport.
  • De Dierenbescherming vindt jachthondensport alleen acceptabel als het spelelement overheerst en er géén dieren bejaagd worden.
  • Bij veedrijven maakt de Dierenbescherming verschil tussen het beroepsmatige gebruik van honden bij vee drijven en/of schapen hoeden (zoals de schapenkudde op de hei) en de sportieve en wedstrijdmatige variant. De beroepsmatige variant vinden we acceptabel, maar de wedstrijdmatige variant wijzen we af.
Bij meer dan je denkt! Wilde en semi-wilde paarden die natuurgebieden begrazen mijden instinctief giftige gewassen. Het instinct van paarden en pony?s die relatief weinig weidegang krijgen is beduidend minder betrouwbaar. Dodelijk voor het dier zijn: Diverse soorten nachtschade, zoals tomatenplanten en aardappel. Verder het blad van pruim, kers, perzik, abrikoos, fijnspar, beukenoot, grove den, jeneverbes, buxus, rododendron, lupine, vingerhoedskruid, taxus en gouden regen. Ook Jacobskruiskruid is zeer gevaarlijk. Als de bloemen bloeien, eten de dieren het niet want dan is het te bitter. Nadat het kruid is gerooid wordt het 'eetbaar' voor de dieren en levensgevaarlijk! jacobskruid Worden paarden en/of pony's in uw omgeving blootgesteld aan giftige gewassen? Bel dan het landelijke meldnummer 144.
Bij normale weersomstandigheden drinkt een paard ongeveer tussen de 30 en 50 liter water per dag. Dit is afhankelijk van de grootte van het dier. De waterbehoefte van een pony ligt rond de 25 liter per dag. Een paard of pony in de zomerwei drinkt minder, omdat het gras ook vocht bevat. Sommige mensen beweren dat landbouwhuisdieren in de winter hun dagelijkse hoeveelheid water uit sneeuw kunnen halen. Niets is minder waar. Een paard, bijvoorbeeld, drinkt op een zeer koude dag gemiddeld 25 liter water. Uit 5 liter sneeuw kan een paard 1 liter water smelten. Een paard zou dus al gauw 125 liter sneeuw moeten eten om aan zijn vochtbehoefte te voldoen! Los van het feit dat dit 'smelten' enorm veel energie vraagt, is het ondenkbaar. Dus ook in de winter dienen paarden en pony's gedrenkt te worden. Treft je een paard dat te weinig te drinken krijgt? Bel dan het landelijke meldnummer 144.
Ze kunnen zeer goed tegen de hitte. Het is ook niet wettelijk vereist dat paarden en pony's in de schaduw kunnen staan. Het verdient wel de voorkeur om het dier zelf een keuze te geven. Uiteraard is het van essentieel belang de dieren genoeg water te geven. Heb je toch de indruk dat een paard of pony in je omgeving grote problemen heeft met de hitte? Bel dan het landelijke meldnummer 144.
Pony's en ruigbehaarde paarden zijn meestal goed bestand tegen een strenge vorst van min 10 graden Celsius of lager. Ook paarden die het hele jaar in de weide worden gehouden hebben een dikke wintervacht. Bij een straffe noord(oosten) wind wordt de gevoelstemperatuur van min 10 sneller bereikt. Het lichaam van de dieren koelt dan sneller af. De dieren moeten bij strenge kou beschutting kunnen vinden in de luwte van bouwsels of struiken. Pony's en paarden mogen bij strenge vorst in geen geval vast staan. Beschutting is niet wettelijk geregeld. We kunnen dat dus niet afdwingen. Pony's die onder normale wintercondities ‘aan de stik’ staan moeten wel beschutting hebben. Dat kan ook een heg of struik zijn. Deze dieren kunnen zichzelf niet goed warm lopen omdat ze beperkt zijn in hun bewegingsvrijheid. Bijvoedering (zoals hooi, kuilvoer, stro, pulp, bieten en maïs) is voor dieren die in de winterperiode buiten worden gehouden onontbeerlijk! Uiteraard hebben paarden en pony's ook in de winter genoeg water nodig! Als je een paard treft dat desondanks ernstige problemen heeft in de kou, bel dan met het landelijke meldnummer 144.
Voor de huisvesting van paarden en pony's is in de Nederlandse wet niets geregeld. Ze mogen dus zonder beschutting buiten staan. Dit ziet de overheid niet als benadeling van het dierenwelzijn, tenzij er sprake is van extreme weersomstandigheden. Wij zien het liever anders. Het is ideaal voor paarden en pony's als aan de dieren zelf de keuze wordt gelaten om onbeschut of beschut (houtwal, afdak, stal) te staan. Denk je dat een paard of pony in je omgeving lijdt onder zijn leefomstandigheden? Bel dan het landelijke meldnummer 144.
Paarden en pony's zouden iedere dag moeten kunnen bewegen. Als een paard of pony niet in de wei staat, zou het dier iedere dag minstens een paar uur beweging moeten krijgen. Bijvoorbeeld in de paddock of door er mee te rijden. Afwisseling is erg belangrijk. Beweging is zeer bevorderlijk voor het welzijn. Helaas is een eigenaar niet verplicht het dier dagelijks vrij te laten lopen en mag het dus 24 uur per dag op stal staan. Het is vrijwel onmogelijk om goed aan te tonen dat het welzijn van een paard of pony hiermee wordt geschaad. Heb je desondanks de indruk dat een paard of pony ernstig in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt? Bel dan het landelijke meldnummer 144.
Hoefbevangenheid is een ontsteking in de hoefschoen. Het is een zeer pijnlijke aandoening veroorzaakt door een stofwisselingsprobleem. Suikers in het gras, maar ook het blijven staan aan de nageboorte kunnen acute hoefbevangenheid veroorzaken. Pony's, paarden maar ook runderen kunnen hoefbevangen raken. Er is tevens een chronische vorm, waarbij pony's regelmatig bevangen raken. De hoeven raken misvormd door vergroeiingen en het hoefbeentje -het onzichtbare, laatste kootje binnenin de hoef- kan zodanig kantelen dat het door de zool heen breekt. Euthanasie is dan noodzakelijk. De prognose voor acuut en chronisch hoefbevangen dieren is matig tot slecht. In de acute fase is toediening van pijnstillers door een dierenarts en soms het openen van de hoefschoen noodzakelijk. Het is belangrijk hoefbevangen dieren zeer sober te voeren. Bij chronische hoefbevangenheid is ook het regelmatig bekappen van het dier door een ervaren hoefsmid noodzakelijk. Onderschat hoefbevangenheid niet! De LID stelt het vaak vast in een vergevorderd stadium waarin het dier niet meer te redden is. Heb je de indruk dat je een hoefbevangen dier hebt gezien? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

We kunnen voer voor paarden en pony's grofweg als volgt verdelen:

  • krachtvoer, bestaat uit onder meer haver, gerst en maïs
  • ruwvoer, zoals hooi en stro, voor een goede darmwerking en spijsvertering
  • bijvoer, zoals zemelen, lijnzaad, wortelen of appels

Hoeveel voer u het dier moet geven, hoe vaak en in welke samenstelling, is helemaal afhankelijk van de leefwijze van het dier. Is het heel actief of juist niet? Staat het op stal of loopt het buiten? Daarom raden wij eigenaren aan een voedingsadvies te vragen aan een deskundige, bijvoorbeeld een paardendierenarts, een stalhouder of iemand die al lang succesvol paarden houdt.

Tref je paarden en/of pony's die te weinig of slechte voeding krijgen? Bel dan het landelijk meldnummer 144.

Ja, u kunt onze cursus EHBO bij dieren, gericht op huisdieren, op diverse plaatsen in ons land volgen. Hij bestaat uit zestien lessen (twaalf theorie- en vier praktijklessen), die onder meer aan de hand van een lesboek en allerlei practicums worden gegeven door deskundige docenten. Naast meer voor de hand liggende vaardigheden, zoals het spalken van poten en het meten van de hartslag, krijgt u lessen over het skelet, het zenuwstelsel en bijvoorbeeld over de geslachtsorganen van hamsters tot en met koeien.
De cursus wordt afgesloten met een mondeling en schriftelijk examen. Gediplomeerde cursisten zijn beter in staat zieke of gewonde huisdieren te helpen. Velen lukt het beter zelf diagnose te stellen en sommigen beweren zelfs dat het dierenartskosten scheelt.

Ga naar adressen waar u de cursus EHBO bij dieren kunt volgen.

Jazeker, meerdere zelfs. Het belangrijkste is uw kitten of kat goed te laten wennen aan de nieuwe omgeving. Dit vraagt soms wel wat geduld. Hieronder wat tips:
  • Katten zijn in het begin vaak wat schrikachtig, ze hebben dan de neiging om te vluchten. Houd daarom ramen en deuren gesloten.
  • Iedereen is natuurlijk nieuwsgierig naar de nieuwkomer en kinderen kunnen vaak niet van de kat afblijven. Katten die deze goedbedoelde aandacht niet op prijs stellen, lopen weg. Laat de kat daarom met rust.
  • Voor een kat betekent een nieuwe omgeving vaak stress, met als gevolg een verminderde weerstand. Zij zijn dan vatbaarder voor ziektes zoals niesziekte. Zorg dat de nieuwe kat, maar ook uw andere huisdieren voldoende zijn ingeënt.
  • Houd de kat minstens de eerste maand binnen om hem aan zijn nieuwe huis te laten wennen.
  • Geef in het begin kleine porties voedsel. Om de kans op maag- of darmklachten te verkleinen, kunt u beter beginnen met de kat hetzelfde voer te geven als in het asiel of bij de vorige eigenaar.
  • Zet de kattenbak op een vaste, goed bereikbare plek en zorg dat de kat weet waar hij staat.
De Dierenbescherming staat zeer positief tegenover gedrags- en gehoorzaamheidscursussen voor honden, mits deze door deskundigen worden gegeven. Iedere hondeneigenaar zou eigenlijk een gedragscursus met zijn dier moeten volgen. De Dierenbescherming heeft een eigen cursus Gehoorzame Huishond ontwikkeld en heeft door het hele land hondenscholen.

De Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming kan niets zeggen over de kwaliteit van een fokker wegens de Wet bescherming persoonsgegevens. Het is de inspectiedienst niet toegestaan mededelingen te doen over meldingen die over een bepaald adres zijn binnengekomen. Ook mag de LID niet aangeven of een fokker goed of slecht aangeschreven staat.

Er is nog een belangrijke reden waarom de LID niet spreekt over ‘goed’ of ‘slecht’. Een kwalitatief hoogstaande fokker kan een keer pech hebben en een dier fokken dat minder gezond is. Net zoals een kwalitatief minder goede fokker of handelaar kerngezonde dieren kan fokken en/of verhandelen.

De LID raadt u aan om het dier direct na aankoop te laten controleren door een dierenarts en te laten vaststellen of het dier gezond is. Indien dit niet het geval is, kan de dierenarts een verklaring opstellen waaruit blijkt dat de aandoening niet is ontstaan bij de koper, maar bij de verkoper. Vervolgens is het aan te raden het dier niet in te ruilen voor een ander, maar de verkoper te verzoeken alle dierenartskosten te vergoeden die samenhangen met de aandoening.

Heeft u de indruk dat een verkoper niet correct handelt? Of denkt u te maken te hebben met een fokker of handelaar die slecht is voor zijn dieren? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

Als u de volgende opmerkingen hoort kunt u beter een andere fokker bezoeken:

  • 'De moeder van de pups is er vandaag toevallig niet...'
  • 'Wij kunnen de pups zo goedkoop aanbieden omdat we stambomen onzin vinden. Die maken de pups alleen maar duur...'
  • 'Het is onzin om zo lang op een pup te wachten. Dat is alleen voor mensen die speciale honden zoeken voor de jachttrainingen of zo. Honden voor recreatief gebruik zijn gewoon op voorraad...'
  • 'De pups zijn zo rustig omdat ze net wakker zijn...'

Betrouwbare fokker zoeken

  • Informeer welke fokkers nestjes hebben of binnenkort nestjes verwachten. Ga een aantal fokkers langs, koop niet bij de eerste de beste. Kies degene uit die jou het beste bevalt. En wees geduldig. Goede fokkers hebben niet zo heel vaak nestjes.

Waar op letten bij niet-beroepsmatige fokkers

  • De pups moeten schoon, warm en tochtvrij zitten.
  • De pups zijn levendig, zitten goed in de vacht en hebben stralende ogen. Angstige pups zijn een slecht teken.
  • De pups groeien in een omgeving op die goed is voor het sociale gedrag. Dat wil zeggen veel contact met mensen, kinderen en huishoudelijke activiteiten. Ook de moeder moet een sociale hond zijn want zij geeft de pups de basis mee.
  • De minimumleeftijd waarop een pup bij de moeder weg mag, is wettelijk 7 weken; 8 weken is normaal. Eerder weghalen gebeurt illegaal maar is erg slecht voor de pups.
  • Let erop dat de pups alle noodzakelijke inentingen hebben gehad op het moment dat het met u meegaat.
  • Let erop dat de hond gechipt is en geregistreerd wordt.

Wettelijke regels voor beroepsmatige fokkers

  • De fokker moet beschikken over een erkend bewijs van vakbekwaamheid, is aangemeld bij het Bureau I&R-HKB en heeft een UBN nummer.
  • Pups moeten binnen zeven weken na de geboorte ingeënt zijn tegen hondenziekte en parvo. Dit moet minstens zeven dagen voor de aflevering gebeurd zijn.
  • De verplichte inentingen staan in een door de dierenarts ingevuld vaccinatieboekje. Daarin kan ook het identificatienummer van het dier worden aangebracht.
  • Fokkers zijn verplicht om alle pups die geboren zijn vanaf 1 april 2013 te voorzien van een chip en te laten registreren in een erkende databank. De nieuwe pupeigenaar is vervolgens verplicht om de registratie op zijn/haar naam over te zetten.
  • Hoe verleidelijk het ook kan zijn, het is beter om geen pup te kopen in een dierenspeciaalzaak. Vaak is het niet duidelijk hoe de moeders worden gehouden, of de pups gesocialiseerd zijn en in welke omgeving ze zijn opgegroeid.

Een goede pup kost bij alle goede fokkers ongeveer hetzelfde. Denk aan een bedrag van 750,- (bij lagere bedragen moet u de hond extra goed controleren). Voor de voeding, verzorgings- en dierenartskosten moet jaarlijks ongeveer duizend euro worden gereserveerd. Kunt u dit niet opbrengen, begin dan niet aan een hond!

Bovenstaande tips bieden overigens geen enkele garantie. Uw hond kan ondanks het feit dat hij bij een goede fokker gekocht is en een goede verzorging heeft gehad toch nog ziek worden.

Er zijn geen landelijke regels voor het aantal huisdieren dat iemand mag bezitten. Het is wel mogelijk dat hierover iets vermeld staat in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van uw gemeente. Informatie hierover is opvraagbaar bij je gemeente of de plaatselijke politie. Ook een woningbouwvereniging of verhuurder van een pand kan grenzen stellen aan het maximale aantal toegestane huisdieren, bijvoorbeeld in het huurcontract. Daarbij kan van belang zijn of een woning binnen of buiten de bebouwde kom staat. Het welzijn van dieren mag bij de huisvesting absoluut niet in het geding zijn. De eigenaar/verzorger moet in staat zijn alle dieren de juiste verzorging te bieden. Bovendien moet er voldoende ruimte zijn, die ook aangepast is aan de natuurlijke behoeften van het dier. Het is bijvoorbeeld ten strengste af te raden om twee agressieve, solitair levende dieren in een ruimte zonder afzonderings- of ontsnappingsmogelijkheden te plaatsen. Heb je de indruk dat de huisvesting leidt tot dierenleed, bel dan het landelijke meldnummer 144.
Er zijn geen landelijke regels voor het aantal huisdieren dat iemand mag bezitten. Het is wel mogelijk dat hierover iets vermeld staat in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van uw gemeente. Informatie hierover is opvraagbaar bij uw gemeente of de plaatselijke politie.
Ook een woningbouwvereniging of verhuurder van een pand kan grenzen stellen aan het maximale aantal toegestane huisdieren, bijvoorbeeld in het huurcontract. Daarbij kan van belang zijn of een woning binnen of buiten de bebouwde kom staat.

Het welzijn van dieren mag bij de huisvesting absoluut niet in het geding zijn. De eigenaar/verzorger moet in staat zijn alle dieren de juiste verzorging te bieden. Bovendien moet er voldoende ruimte zijn, die ook aangepast is aan de natuurlijke behoeften van het dier. Het is bijvoorbeeld ten strengste af te raden om twee agressieve, solitair levende dieren in een ruimte zonder afzonderings- of ontsnappingsmogelijkheden te plaatsen.

Indien u de indruk heeft dat de huisvesting leidt tot dierenleed, bel dan het landelijke meldnummer 144.

Dat is heel erg afhankelijk van de grootte van de hond. Gemiddeld heeft een hond anderhalve liter water per dag nodig. Maar bij grote rassen die veel lichaamsbeweging krijgen kan dit oplopen tot maar liefst 15 liter per dag. Over het algemeen kan men uitgaan van de volgende regel: per kilo lichaamsgewicht 56 ml. water per dag. 

Treft u een hond die te weinig of geen drinkwater tot zijn beschikking heeft? Bel dan het landelijke meldnummer 144.
Een gemiddelde kat heeft ongeveer 250 ml. water per dag nodig.

Let op! Katten die in huis worden gehouden moeten permanent kunnen beschikken over vers en schoon drinkwater.

Treft u een kat die weinig of geen drinkwater tot zijn beschikking heeft? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

Het verloten van dieren is verboden. Artikel 57 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren luidt: ‘Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken bij wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere dergelijke evenementen.’
De ronde, glazen vissenkom is niet geschikt als huisvesting voor goudvissen of andere vissen. Door de ronde vorm van de vissenkom kan er minder makkelijk zuurstof in het water komen, waardoor de kwaliteit van het water snel achteruit gaat. Een goudvis heeft in een vissenkom te weinig ruimte om normaal te zwemmen: een goudvis moet minstens acht keer zijn lengte hebben om goed te kunnen zwemmen. Tot slot ziet de vis door de bolle vorm van de vissenkom alles wat van buiten komt alsof hij door een vergrootglas kijkt en hij kan zich niet verschuilen. Een alternatief is een aquarium: hier kan meer zuurstof in het water komen, de vissen hebben meer ruimte en ze kunnen zich verschuilen.
Dat hangt van de situatie af. Als een hond op onregelmatige tijden maximaal een dagdeel in de tuin verblijft is dat geen probleem. Er hoeft dan zelfs geen beschutting voor het dier beschikbaar te zijn.

Wordt een hond altijd overdag of ’s avonds/’s nachts buiten gehouden zonder dat het dier kan schuilen voor slechte weersomstandigheden, dan is er mogelijk sprake van een probleem. U kunt hier melding van maken bij de meldkamer.

Als een hond 24 uur per dag in de tuin verblijft, verandert dit. Het dier valt dan onder het Waak- en Heemhondenbesluit. Daarin zijn regels vastgelegd voor huisvesting.

Voldoet de huisvesting niet aan de normen van het Waak- en Heemhondenbesluit? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

De huisvesting van honden die 24 uur per dag aan de ketting worden gehouden moet voldoen aan het Waak- en Heemhondenbesluit.

Treft u huisvesting die niet voldoet aan het Waak- en Heemhondenbesluit? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

Ja. Mits aan een aantal strenge eisen is voldaan.

Op het terrein waar de hond zich bevindt, moet een hok aanwezig zijn dat uitsluitend voor het dier bestemd is. Het moet vocht- en tochtvrij zijn en altijd bereikbaar voor de hond. Bovendien moet de behuizing van deugdelijk materiaal zijn gemaakt en aan alle zijden –inclusief de bovenkant- doelmatig afgesloten, behoudens een voldoende ruime ingang.

Volgens het Waak- en Heemhondenbesluit dient het hok verder te voldoen aan de volgende eisen: Op het terrein waar de hond zich bevindt, moet een hok aanwezig zijn dat uitsluitend voor het dier bestemd is. Het moet vocht- en tochtvrij zijn en altijd bereikbaar voor de hond. Bovendien moet de behuizing van deugdelijk materiaal zijn gemaakt en aan alle zijden –inclusief de bovenkant- doelmatig afgesloten, behoudens een voldoende ruime ingang.

  1. het moet verdeeld zijn in twee door een schot van elkaar gescheiden delen, namelijk een slaapplaats en een tochtgang.
  2. De afmetingen van de slaapplaats moeten bedragen:
    -ten minste anderhalf maal de hoogte van de hond
    -ten minste anderhalf maal de lengte van de hond
    -de breedte moet minstens eenmaal de hoogte van de hond zijn.
    Onder hoogte van de hond wordt verstaan de schofthoogte en onder lengte de romplengte.
  3. De tochtgang moet van de slaapplaats gescheiden zijn door een tot het dak doorlopend schot, dat aan de achterkant een voldoende ruime doorgang moet hebben om de hond gelegenheid te geven van de tochtgang in de slaapruimte te komen.
  4. Het hok dient een op klossen rustende, zindelijke houten vloer te hebben van tenminste 3 cm. dikte, welke in goede staat verkeert, naar buiten afwatert en zich tenminste 10 cm. boven de grond bevindt.
  5. Het hok moet zodanig zijn, dat het goed kan worden gereinigd, dat het de hond afdoende beschutting biedt tegen nadelige weersinvloeden en dat de hond zich niet aan het hok kan verwonden.
  6. Een zindelijke drinkbak met vers drinkwater moet op een voortdurend voor de hond bereikbare plaats buiten het hok aanwezig zijn. Deze drinkbak moet zodanig zijn, dat hij door de hond niet omver kan worden geworpen.
Treft u een hond die buiten moet verblijven in een omgeving die niet voldoet aan het Waak- en Heemhondenbesluit? Bel dan het landelijke meldnummer 144.
Voor honden die langer dan een dagdeel in een ren worden gehouden gelden de regels die zijn gesteld in het Waak- en Heemhondenbesluit.
  1. De ren moet uitsluitend bestemd zijn voor het verblijf van de hond en moet verder voldoen aan de volgende eisen: de afmetingen moeten bedragen; hoogte tenminste 2 meter, oppervlakte tenminste 7 vierkante meter, met dien verstande dat de afmeting van de kortste zijde niet minder dan 1 meter mag bedragen.
  2. De bodem moet zindelijk zijn en niet drassig, de omheining moet tenminste aan een zijde bestaan uit harmonikagaas met een maaswijdte van ten hoogte 5 cm. of uit tralies met een onderlinge afstand van ten hoogste 5 cm.; de ren moet zodanig zijn, dat de hond zich daaraan niet kan verwonden.
  3. In of aan de ren moet zich een hok bevinden, dat voldoet aan bepaalde eisen. De ruimte die het hok inneemt, mag niet in mindering komen van genoemde minimum oppervlakte van de ren.
  4. In de ren mogen zich geen voorwerpen bevinden, waaraan de hond zich kan verwonden.
  5. Een zindelijke drinkbak met vers drinkwater moet in de ren, doch buiten het hok, aanwezig zijn. Deze drinkbak moet zodanig zijn, dat hij door de hond niet omver kan worden gelopen.

Verdere wet- en regelgeving vindt u hier: Waak- en Heemhondenbesluit

Voldoet de huisvesting niet aan het Waak- en Heemhondenbesluit? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

Nee. Sinds 2001 is het couperen van staarten bij honden verboden. Het couperen van oren is al sinds 1996 verboden.

Ook in België en Duitsland geldt een coupeerverbod.

Weet u dat iemand toch honden coupeert in Nederland? Bel dan het landelijke meldnummer 144

Als je een klacht hebt over een dierenarts, dan kun je deze indienen bij het Veterinair Tuchtcollege. Zij behandelt klachten over dierenartsen en kan, indien nodig, zorgen voor schorsing of ontzegging van de bevoegdheid tot het uitoefenen van het beroep van dierenarts. Het adres: Veterinair Tuchtcollege Postbus 90426 2509 LK Den Haag Telefoon: 070 - 349 58 58

Dit is een onderwerp waar de Dierenbescherming niet over gaat. Het gaat hierbij immers niet om dierenwelzijn, maar om belastingheffing. Wel vindt de Dierenbescherming dat gemeenten het geld van de hondenbelasting weer moeten inzetten voor een hondvriendelijk beleid. Denk aan de financiering van onder andere hondvriendelijke uitlaatplaatsen en voldoende containers voor poepzakjes.

Door uw hond of kat te laten chippen en registreren, wordt hij makkelijker teruggevonden. De microchip is zo groot als een rijstkorrel en wordt met een injectienaald onder de huid ingebracht. Het dier heeft er geen last van en kan de chip nooit verliezen. Iedere chip bevat een uniek registratienummer en kan worden afgelezen met een speciale scanner.

Voordelen van chippen:

  • Een chip is diervriendelijk en gemakkelijk af te lezen.
  • Chippen maakt uw huisdier uniek: uw dier kan altijd geïdentificeerd worden.
  • Een chip gaat een dierenleven lang mee.
  • Uw dier voelt er niets van.
  • Fraudebestendig: verwijderen is praktisch onmogelijk.
  • Ook jonge dieren kunnen al gechipt worden.
  • Je ziet er niks van! Een chip is niet ontsierend.
  • Chippen wordt door huisdierverzekeraars vergoed.

Let op: vergeet bij verhuizing niet om ook de chipregistratie te laten wijzigen!

Een pup moet tenminste 7 weken oud zijn voordat deze mag worden weggehaald bij de moederhond. Eerder weghalen kan leiden tot ernstige aanpassingsproblemen of medische complicaties bij de jonge hond.

Kent u handelaren, fokkers of particulieren die de pups te vroeg bij de moederhond weghalen? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

Uit onderzoek (Kattengedragsadviesbureau, 2015) is gebleken dat een te vroege scheiding tussen moederpoes en kitten tot gedrags- en gezondheidsproblemen kan leiden. In de wet staat dat kittens vanaf 7 weken van de moeder mogen worden gescheiden, terwijl het onderzoek aantoont dat 15 weken een betere termijn zou zijn voor de kitten. De scheidingsleeftijd van 7 weken is opgenomen in het Besluit houders van dieren. De leeftijd in het Besluit is geen ideale adviesleeftijd, maar een minimumleeftijd.

Constateer je dat iemand de kittens eerder bij het moederdier weghaalt? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

Zoek allereerst in je eigen omgeving, en vraag buren en buurtgenoten om je te helpen. Met name katten kunnen soms een paar dagen zoek zijn, zonder dat je je meteen zorgen hoeft te maken. Je kunt in de buurt affiches ophangen met een foto van je dier en in het plaatselijke asiel of bij de Dierenbescherming navragen of je dier is binnengebracht. Sinds mei 2011 hebben wij de website Mijndieriszoek.nl, die je kunt inzetten bij de zoektocht naar een vermist huisdier. Met een stappenplan geef je het signalement van je dier op, dat je plaatst in een overzicht met vermiste dieren. Ook vind je er meldingen van gevonden dieren, kun je zelf een opsporingsposter maken en handige zoektips opdoen.

Het Honden- en kattenbesluit 1999 (HKB) is op 1 maart 2002 in werking getreden en is gebaseerd op de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). Het HKB bevat bepalingen gericht op het bevorderen van het welzijn en de gezondheid van honden en katten die bedrijfsmatig worden gefokt, opgevangen, gekocht of verkocht. Op grond van dit Honden- en kattenbesluit voert de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming routinecontroles uit.

Kijk voor meer informatie over het Honden- en kattenbesluit 1999 op de website overheid.nl.

Als u gebeten bent door een hond, of uw huisdier gebeten is door een andere hond, dan is het raadzaam aangifte te doen bij de politie. Dit kan op grond van artikel 425 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. ‘Hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier’ begaat een overtreding van dat artikel.

Bij een strafbaar feit is de politie verplicht uw aangifte op te nemen. De eigenaar van een hond is verantwoordelijk voor de schade die het dier toebrengt aan andere dieren, mensen en spullen. Als het dier schade toebrengt aan anderen, dan zal de eigenaar zich moeten verantwoorden. Ook als het dier op het moment van het incident niet onder toezicht van de eigenaar stond.

Als u er onderling niet tot een vergelijk komt, kunt u in het uiterste geval een schadevergoeding eisen voor de geleden schade via een civiele procedure.

Als u overlast heeft van katten in uw tuin, komen de volgende diervriendelijke, kattenwerende tips van pas:
  • strooi peper of koffiedik in de tuin;
  • gebruik kattenlolly's (verkrijgbaar in de dierenwinkel);
  • zet het kruid wijnruit in de tuin;
  • leg cacao-doppen in de tuin (te koop bij plantencentra), dit vinden katten niet prettig aan hun pootjes;
  • strooi kattenschrik (te koop bij plantencentra), milieuvriendelijke korrels, dit vinden katten vies ruiken.
Over het algemeen kunt u gerust zijn: honden kunnen heel goed tegen kou en vorst.

Als een hond vrij kan lopen op bijvoorbeeld een erf of in een grote tuin en er is enige beschutting voor de hond dan is dat voldoende. Er moet wel een droge ligplaats zijn waar de hond kan schuilen.

Let wel: als het een hond betreft die altijd buiten wordt gehouden dan gelden de regels van het Waak- en Heemhondenbesluit.

Een hond die in de winter gedurende langere perioden in een auto verblijft heeft geen problemen met de kou. Het is wel verstandig om te overleggen met de eigenaar of er geen andere oplossing is voor de huisvesting van het dier.

Als een hond bij een lage temperatuur buiten slaapt of rust, dan rolt het dier zich op –net zoals heel veel andere dieren overigens- om een zo klein mogelijk lichaamsoppervlak te hebben. De hond beperkt zo de hoeveelheid warmte die hij uitstraalt. De rillingen die een hond tijdens de kou laat zien zijn een goed teken. De stofwisseling verhoogt waardoor het dier warmte ontwikkelt.

Oude of zieke honden kunnen veel minder goed tegen de kou. Dat geldt ook voor continu aangelijnde honden, zeker als ze verplicht moeten stil zitten of liggen. Het is in deze gevallen verstandig om met de eigenaar van het dier in overleg te treden en anders te bellen met het landelijke meldnummer 144.

Honden hebben snel last van de warmte. Ze kunnen niet zoveel zweten als wij. Ze raken hun overtollige warmte kwijt door snel te ademen of hijgen, waardoor water via de tong verdampt met de uitademingslucht. Honden zweten ook via hun voetzolen. Het is dus belangrijk om extra rekening te houden met je hond tijdens hitte. Teveel zon en warmte kan bij een hond een coma en zelfs de dood veroorzaken.

Rennen naast de fiets of spelen met stokken moet bij hoge temperaturen vermeden worden. Dit kan bij grote hitte leiden tot ernstige blaarvorming aan de poten.

Laat nooit je hond achter in de auto bij warm weer!

Een stilstaande auto wordt in de zon zeer snel heet, vaak tot wel 50 graden, ook al staan de ramen een stukje open. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is het meestal niet het zuurstofgebrek waar de hond aan bezwijkt, maar oververhitting, met name van de hersenen. Je kunt dit effect vergelijken met het effect van zeer hoge koorts. Als het echt niet anders kan: zet de auto in de schaduw, onder bomen of in een carport. Zet de ramen tegen elkaar open en blijf vooral niet te lang weg.

Tref je een oververhitte hond aan in een auto? Haal dan de hond eruit, overgiet het dier voorzichtig met water (niet te koud!) en overdek hem eventueel met een natte doek (ook niet te koud in verband met onderkoelingsgevaar).

Tref je een hond aan die bij warm weer achter is gelaten in een auto en volgens jou lijdt onder de omstandigheden? Bel dan in eerste instantie met de politie (0900 - 8844) aangezien het een noodsituatie kan betreffen. In veel gevallen kan de politie je verder helpen. Mocht dit niet het geval zijn, bel dan het landelijke meldnummer 144.

Het is natuurlijk belangrijk dat u goed stilstaat bij de gevolgen voor u, uw gezin en de kat zelf. Een krolse kat in huis, bijvoorbeeld, kan niet iedereen waarderen. Maar er zijn ook andere zaken van belang, zoals het huis waarin u leeft. Is dat geschikt voor een kat?

Bedenk ook dat een zo’n diertje met gemak vijftien jaar of ouder wordt. Denkt u dat u het dier over tien jaar nog even leuk vindt? Ook als hij of zij medische complicaties krijgt? En wat doet u met hem als u op vakantie gaat? Een dierenpension kan wel eens duurder zijn dan u denkt.

Als u uw kat de zorg geeft die hij nodig heeft (goed eten en elk jaar naar de dierenarts voor een controle en inentingen) dan kost hij per jaar al snel € 400,-. Kortom: denk goed na voordat u een kat neemt.

Als u zeker weet dat u een kat wilt, denk dan eerst eens aan een kat uit het asiel. Daar zitten heel veel leuke (je-weet-wel)katers en poezen te wachten op een lieve baas. Het asiel vraagt een plaatsingsbedrag voor het dier. De hoogte daarvan varieert per asiel en ligt landelijk op gemiddeld 60 euro voor een kat. Het onderdeel "Baasje gezocht" biedt een uitgebreide keuze aan allerlei soorten katten. Ook raskatten!

Asieldieren hebben een aantal zeer belangrijke voordelen. Zo heeft u nergens zo veel keus als in een asiel en krijgt u ook nog eens eerlijk en professioneel advies. Daarnaast zijn alle dieren uit het asiel ingeënt en, hoewel dit niet wettelijk verplicht is, doorgaans geregistreerd door middel van een tatoeage of chip. Dit is erg belangrijk en handig bij het terugvinden van vermiste dieren.

Vermijd internetsites zoals marktplaats.nl omdat de kans groot is dat u bij een malafide of illegale handelaar terecht komt.

Bent u met een handelaar in aanraking gekomen die slecht met zijn dieren omgaat? Bel dan het landelijke meldnummer 144.

De Dierenbescherming is tegen het fokken van (ras)dieren als daar afwijkingen door ontstaan die de gezondheid en/of het welzijn van het dier aantasten. Wij pleiten daarom voor strenge regels voor het fokken van dieren. Daarbij moeten de natuurlijke geaardheid, gezondheid en welzijn van het dier voorop staan. Het fokken en verhandelen van agressieve dieren moet verboden worden.
De Dierenbescherming vindt dat technische correctiemiddelen, zoals stroomhalsbanden en ultrasone geluidssignalen, in principe niet gebruikt moeten worden. Ze verhullen vaak de onkunde van degene die het dier probeert te trainen of onder zijn macht probeert te brengen. Bij een goede relatie tussen mens en dier, bij voldoende deskundigheid bij de trainer en uiteraard geschiktheid van de dieren in kwestie om de gewenste taak uit te voeren, zijn hulpmiddelen niet of slechts beperkt nodig. Technische hulpmiddelen doen alleen aan symptoombestrijding en pakken de oorzaak – zoals al dan niet aangeleerde gewoonten, handelingen uit verveling, irritatie of pijn, gedragsstoornissen - niet aan. Alleen als andere methoden - zoals gedragstherapie - falen, kan aan deze correctiemiddelen worden gedacht, maar dan slechts in handen van deskundigen.
De Dierenbescherming is geen voorstander van het naar Nederland halen van dieren uit het buitenland om uiteenlopende redenen.
De Dierenbescherming vindt kinderboerderijen acceptabel, maar dan moet er wel sprake zijn van deskundige begeleiding en verzorging. Ook moeten de dieren geschikte huisvesting hebben. Kinderboerderijen kunnen van belang zijn voor de opbouw van een goede relatie tussen kind en dier door hen op verantwoorde wijze met elkaar in contact te brengen. Fokken met dieren mag uitsluitend om de populatie op peil te houden, dus absoluut niet voor de verkoop. Als er te veel dieren komen, moet men streven naar plaatsing naar bijvoorbeeld andere kinderboerderijen. Dat betekent dus niet doorverkopen aan de handel of afmaken van dieren.

Al sinds 1974 worden er internationale afspraken gemaakt over de handel in dieren. Deze overeenkomst wordt CITES genoemd, wat een afkorting is voor Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora. (Nederlands: Verdrag over de internationale handel in bedreigde uitheemse dieren en planten.)
Inmiddels hebben 143 landen de CITES-overeenkomst ondertekend, waarmee ze beloven zich aan de gemaakte afspraken te houden. Belangrijke afspraken zijn onder andere:

  • Er worden geen dieren meer uit het wild gehaald voor de export, als de diersoort met uitsterven bedreigd wordt door de internationale handel.
  • Veel soorten dieren mogen alleen nog maar worden geëxporteerd als hier een CITES-vergunning voor is verleend.
  • Alleen soorten waarin veel gehandeld wordt tussen landen, kunnen door CITES beschermd worden.

Welke dieren er op de CITES-lijst staan, kunt u navragen bij het ministerie van Economische Zaken en Innovatie (EL&I), telefoon (070) 378 68 68 of kijk op de website van het ministerie.

Voor intensieve en deskundige begeleiding bij de (her)opvoeding van uw hond kunt u terecht bij de 'Gehoorzame Huishond'-hondenscholen van de Dierenbescherming.
De training staat voor kwaliteit en maatwerk: afhankelijk van het gedrag van uw hond bepaalt een ervaren trainer welke trainingsmethode het meest geschikt is. Maar welke methode u ook volgt: altijd ligt de nadruk op actief en leerzaam bezig zijn met uw hond, zodat u veel plezier aan hem zult beleven!
U kunt op ieder gewenst ogenblik starten met de cursus, die tegen zeer betaalbare tarieven wordt gegeven op 21 plaatsen in Nederland.

De Dierenbescherming is zeer kritisch. Wat ons betreft mag uitsluitend een aantal gedomesticeerde soorten, dus dieren die zijn gewend aan een leven met mensen, worden gehouden. Denk daarbij aan honden, katten en konijnen. Niet-gedomesticeerde dieren zijn hier niet geschikt voor, zeker niet als ze bijvoorbeeld uit het wild gevangen zijn, er (lichamelijke) ingrepen nodig zijn om ze te kunnen houden of ze zich niet in gevangenschap kunnen voortplanten. Logisch gevolg is dat wij het houden van de meeste exotische dieren afwijzen.

Positieflijst zoogdieren / Huisdierenlijst
Het ministerie van Economische Zaken heeft jaren gewerkt aan een positieflijst van dieren die geschikt worden gevonden om als huisdier te houden. Behalve beleidsmakers en wetenschappers zijn ook maatschappelijke organisaties zoals de Dierenbescherming betrokken bij de samenstelling van deze lijst. Op 1 februari 2015 is de Positieflijst zoogdieren, nu Huisdierenlijst genoemd, van kracht geworden. Niet alle dieren zijn namelijk geschikt om als huisdier te houden. Sommige dieren zijn beschermd, kunnen ziektes overdragen of zijn gevaarlijk. Op de huisdierenlijst staan in ieder geval de huishond, de huiskat en productiedieren zoals koeien en paarden. Nog niet alle soorten zoogdieren zijn beoordeeld. Later zullen er ook dergelijke lijsten verschijnen voor vogels en reptielen.

Exotische dieren
De meeste exotische dieren, zoals apen, reptielen, amfibieën, tropische vogels en vissen, zijn niet geschikt om als huisdier te houden. Omdat ze niet zijn gewend aan een leven met mensen en op het gebied van klimaat, voeding en huisvesting behoeften hebben waar de meeste mensen niet aan kunnen voldoen. Toch worden exoten vaak door particulieren gehouden, met als gevolg dat veel van deze dieren een ellendig bestaan hebben en vroegtijdig sterven, gedragsproblemen krijgen of in de opvang terechtkomen.

Helaas gaat het voor de meeste exotische dieren al veel eerder mis: als ze gewelddadig uit het wild worden gevangen, tijdens het vervoer of in de nietsontziende handel. Voor elke wasbeer, papegaai, aap of schildpad die hier terechtkomt, zijn tijdens de vangst en het transport al minstens zoveel soortgenoten omgekomen. Dieren die het overleven, gaan op transport. Hoewel er Europese regels zijn voor het transport van dieren in vliegtuigen, komen tijdens die reis, die wel 48 uur kan duren, regelmatig dieren om. Doodsoorzaken zijn stress, overbevolking, zuurstofgebrek, temperatuurverschillen, ruwe behandeling en ernstige watervervuiling. Voor het transport over de weg of op een boot bestaan geen regels en zijn de dieren dus aan de willekeur van de handelaar overgeleverd.

Agressieve honden worden niet geboren, ze worden agressief gemaakt. De Dierenbescherming is tegen het specifiek fokken en trainen van honden op agressie. Om agressie te voorkomen bepleiten wij een combinatie van:

  • voorlichting,
  • (het stimuleren van) het volgen van gedrags- en/of gehoorzaamheidscursussen,
  • een gericht fokbeleid om ongewenste gedragseigenschappen in bepaalde hondenrassen te corrigeren, en
  • de identificatie en registratie van honden.

De Dierenbescherming is tegen het wettelijk verbieden van bepaalde hondenrassen. Deze insteek wordt vooral gevoed door angst en is niet wetenschappelijk gefundeerd. Alleen in bepaalde gevallen, waarbij het dier een reëel gevaar vormt voor de gemeenschap of zichzelf, en waar alle overige methoden hebben gefaald, kan aanlijnen of muilkorven een tijdelijke oplossing zijn in afwachting van de resultaten van gedragstherapie.

Vanaf 2011 kent de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming een enorme stijging van het aantal controles. De werkdruk voor de inspecteurs stijgt hierdoor enorm. Deze stijging is te verklaren door:

Vaker toepassen van bestuursrecht
De werkdruk wordt vooral veroorzaakt door de enorme toename van het aantal bestuursrechtelijke handelingen. Een voorbeeld: er zit een hond in een vervuild hok. Met strafrecht kun je iemand daar een proces verbaal voor geven. Hiermee straf je de eigenaar, maar dit betekent niet dat de situatie voor de hond zal veranderen. Met het toepassen van bestuursrecht lukt dat vaak wel: de eigenaar krijgt een aantal dagen de tijd om het hok schoon te maken. Wanneer er bij hercontrole blijkt dat het hok niet schoon is, zal er, op kosten van de eigenaar, een schoonmaakbedrijf worden ingeschakeld om het hok schoon te maken. Ook zullen er hercontroles worden uitgevoerd om de situatie in de gaten te houden. In 2012 verrichte de LID 718 bestuursrechtelijke handelingen en in 2013 2022 handelingen, bijna een verdriedubbeling. Dit komt onder andere door de samenwerking met de dierenpolitie en de uitbreiding van bestuursrechtelijke mogelijkheden. Bestuursrecht kost veel tijd, omdat het gericht is op verbetering van de situatie. Hier zijn vaak meerdere handelingen of controles voor nodig.

Meer controles door dierenpolitie en 144
Sinds de invoering van de dierenpolitie en meldpunt 144 in 2011 krijgen de inspecteurs meer controles te verwerken. Het gemiddelde aantal controles voor de komst van de dierenpolitie in 2011 lag rond de 2500 per jaar. Na 2011 is er sprake van een stijging van 45%. In 2013 zijn er 3633 controles uitgevoerd. Verder is het aantal gegronde controles van de inspecteurs (waar dus echt iets aan de hand is) gestegen van 50% naar 70%.

Aangepaste wetgeving
Voor de komende jaren verwachten we een stijging van nog eens 40% extra werk door aangepaste wetgeving. Door de invoering van het ‘Besluit houders van dieren’ zullen de inspecteurs meer toezicht controles gaan uitvoeren. Toezicht projecten richten zich vaak op de bedrijfsmatige houders van dieren, zoals honden- en kattenpensions, asielen, dierenhandelaren en fokkers. Ook de invoering van de Positieflijst voor zoogdieren, waarop dieren staan die gehouden worden, zorgt ervoor dat de inspecteurs extra controles moeten gaan uitvoeren.

Preventiewerk: voorkomen van dierenleed
De Dierenbescherming wil verborgen dierenleed zoveel mogelijk voorkomen. Daarom willen wij nog sterker inzetten op preventie. Hiervoor zetten wij reeds vrijwilligers in, maar daar redden we het niet mee. Deze vrijwilligers doen het preventiewerk vaak naast hun betaalde baan. Om professioneler de maatschappelijke rol van de Dierenbescherming in te vullen, is uitbreiding nodig met zo’n 20 preventiemedewerkers. Hiermee redden we niet alleen dieren, maar komen we ook veel menselijk leed op het spoor dat nu vaak nog verborgen blijft.

Een brief van de LID ondertekenen wij altijd met een naam en handtekening. Mocht u, ondanks logo en lettertype, twijfelen aan de echtheid van een ontvangen brief, dan vragen we u deze te scannen of te kopieren en contact op te nemen via  mail: infolid@dierenbescherming.nl  of bel naar telefoonnummer: 088 8 113 113.

In sommige gevallen neemt de LID dieren in bewaring. Dit gebeurt altijd in opdracht van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). RVO.nl zorgt in zo’n geval voor de opvang van de dieren, totdat de rechter over het lot van de dieren heeft beslist of tot iemand aan de opgelegde maatregelen heeft voldaan. De tijdelijke opvang van dieren regelt RVO.nl met ‘opslaghouders’. Dit zijn locaties die zijn aangewezen om inbeslaggenomen dieren op te vangen. Meer informatie over RVO.nl is te vinden op de site van het ministerie van EZ.

Als de rechter of RVO.nl beslist dat dieren niet terug mogen naar de eigenaar, kan RVO.nl de dieren ‘herplaatsen’. Katten en honden worden bijvoorbeeld naar asielen gebracht, die voor deze dieren dan weer een geschikte nieuwe baas zoeken. Andere dieren worden door RVO.nl herplaatst bij handelaren of bij belangstellende particulieren.

Districtsinspecteur word je niet zomaar! Daarvoor dien je uit bijzonder hout gesneden te zijn. Op dit moment heeft de LID geen vacatures voor de functie van districtsinspecteur. Toch een kleine toelichting op de functie:

De districtsinspecteur moet over een grote mate van zelfwerkzaamheid en zelfredzaamheid beschikken omdat hij (lees ook 'zij') een eigen district in Nederland heeft waarin hij de dierenpolitie ondersteunt en aanvult met bestuursrechtelijke handhhaving en controles uitvoert met betrekking op dierenverwaarlozing en mishandeling.

De districtsinspecteur weet heel goed hoe de overheid en justitie in elkaar zitten en hoe hij met hen moet samenwerken. Hij heeft regelmatig contact met het Openbaar Ministerie, Dienst Regelingen, Colleges van Burgemeester en Wethouders, (dieren)politie, de Nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en dergelijke.

Hij beschikt minimaal over een HBO werk- en denkniveau en is in het bezit van een politiediploma of het diploma buitengewoon opsporingsambtenaar. Verder heeft hij kennis van de gangbare onderzoeks- en opsporingstechnieken en is het schrijven van gedegen rapportages vanzelfsprekend voor hem.

Het is vanzelfsprekend dat de districtsinspecteur een affiniteit heeft met dieren en uitstekende kennis heeft over de gezondheid en het welzijn van dieren. Ook een goede kennis over relevante wet- en regelgeving is van essentieel belang.

De districtsinspecteur is, kortom, een duizendpoot. Iemand die stressbestendig is en goed met situaties kan omgaan waarin conflicten dreigen. Hij focust op de feiten en is niet bang om fouten te maken.

Als een vacature voor de functie van districtsinspecteur vrijkomt, dan zal de LID dat ondermeer via deze site melden.
De Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming ontvangt subsidie, maar dat is - zeker gezien het toenemende werkaanbod - niet genoeg. Er is veel meer geld nodig. De Dierenbescherming neemt de groeiende overige kosten voor haar rekening, omdat ze het werk dat de inspecteurs doen, noodzakelijk vindt.
Gezelschapsdieren, zoals katten, honden, konijnen, enzovoort. Hobbymatig gehouden landbouwhuisdieren zijn verdeeld tussen de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. De LID is verantwoordelijk voor hobbymatig gehouden paarden, pony's, ezels, kippen en overig pluimvee.
Meldingen van dierenverwaarlozing en -mishandeling komen binnen bij het landelijke meldnummer 144. Vanuit 144 worden de meldingen uitgezet bij verschillende handhavende organisaties of bij het Vertrouwensloket  van de Dierenbescherming. Slechts een deel van de meldingen komt via de Dierenpolitie bij de LID terecht.
 
Als door de Dierenpolitie een aantasting van het dierenwelzijn wordt geconstateerd, kan de LID op het gebied van gezelschapsdieren worden ingeschakeld om bestuursrecht toe te passen. Bestuursrecht is gericht op het herstellen van de overtreding. Als herstel mogelijk is, worden er met de eigenaar concrete afspraken gemaakt voor de verbetering van het dierenwelzijn ter plaatse. De naleving daarop wordt gecontroleerd door de LID. In ernstige gevallen, waarin er geen uitzicht is op verbetering van de situatie, kunnen de dieren in bewaring worden genomen. Het weghalen van dieren gebeurt echter niet zomaar en vindt altijd plaats in nauw overleg met Dienst Regelingen (onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken). In een hersteltraject kan het voor betrokkenen lijken alsof er niets gebeurt, maar achter de schermen wordt er dan wel hard gewerkt aan het verbeteren van dierenwelzijn.
 
Er zijn ook situaties denkbaar waarbij het dierenwelzijn niet optimaal is, maar waarbij er geen dierenwelzijnswetten worden overtreden. Deze meldingen komen doorgaans terecht bij het Vertrouwensloket van de Dierenbescherming die deze meldingen doorzet naar de regionale afdelingen van de Dierenbescherming. De afdelingen werken met preventiemedewerkers, vrijwillige inspecteurs die preventief de situatie voor het dier proberen te verbeteren. Zij hebben geen wettelijke bevoegdheden, maar kunnen veelal door hun ervaring een helpende hand bieden.
 
Als je melding wilt doen van dierenleed, bel dan het landelijke meldnummer 144.
Het merendeel van de zaken gaat over mishandeling en verwaarlozing van honden, katten en paarden/pony’s door onkunde en onwetendheid bij de eigenaar. Daarnaast spelen problemen van psychische en financiële aard in veel gevallen een rol. Deze dieren worden niet of slecht verzorgd, krijgen te weinig of slecht eten en drinken en de nodige medische zorg wordt niet verleend. Ook de huisvesting van de dieren is regelmatig niet geschikt en/of vervuild. Als gevolg hiervan zijn de dieren vaak ondervoed, ziek, verwond of een combinatie van deze. Een slechte socialisatie betekent geestelijk lijden voor dieren. Tot slot gaat een deel van de zaken over moedwillige mishandeling van dieren. Er is dan sprake van kwade opzet.
Dat is afhankelijk van de hoeveelheid melk die de koe produceert. Voor de productie van 1 liter melk, heeft de koe gemiddeld 1 liter water nodig. Verder heeft het dier ook water nodig voor andere lichaamsprocessen. Alles bij elkaar opgeteld komt het totale waterverbruik van een rund op 100 liter per dag. Dit kan oplopen tot maar liefst 150 liter per dag als het een echt warme dag is. Een permanente watervoorziening (sloot, waterbak of zelfdrinker) is dan ook onontbeerlijk. Tref je een koe die te weinig drinkwater krijgt? Bel dan met het landelijk meldnummer 144.
Dit is afhankelijk van het ras en het gebruik. Is het een zogenaamde 'vleeskoe' dan kunt u zich voorstellen dat er geen ribben of andere botten mogen uitsteken. Bij een melkkoe ligt dit anders. Tref je een rund waarvan je vermoed dat het te mager is? Bel dan het landelijk meldnummer 144.
Hoefbevangenheid is een ontsteking in de hoefschoen. Het is een zeer pijnlijke aandoening veroorzaakt door een stofwisselingsprobleem. Suikers in het gras, maar ook het blijven staan aan de nageboorte kunnen acute hoefbevangenheid veroorzaken. Pony's en paarden maar ook runderen kunnen hoefbevangen raken. Er is ook een chronische vorm, waarbij pony's en runderen regelmatig bevangen raken. De hoeven raken misvormd door vergroeiingen en het hoefbeentje -het onzichtbare, laatste kootje binnenin de hoef- kan zodanig kantelen dat het door de zool heen breekt. Euthanasie is dan noodzakelijk. De prognose voor acuut en chronisch hoefbevangen dieren is matig tot slecht. In de acute fase is toediening van pijnstillers door een dierenarts en soms het openen van de hoefschoen noodzakelijk. Het is belangrijk hoefbevangen dieren zeer sober te voeren. Bij chronische hoefbevangenheid is het regelmatig bekappen van het dier door een ervaren hoefsmid eveneens noodzakelijk. Onderschat hoefbevangenheid niet! De LID stelt het vaak vast in een vergevorderd stadium waarin het dier niet meer te redden is. Heb je de indruk dat je een hoefbevangen dier hebt gezien? Meld dit dan via het landelijk meldnummer 144.
De moderne dierentuin stelt zich een aantal doelen, zoals conservatie, onderzoek, opvang, educatie en recreatie. Ook is er oog voor huisvesting die tegemoet komt aan de behoeften van het dier. Toch zijn er voor wat betreft de huisvesting, verzorging, fokken en uitwisseling met andere dierentuinen nog steeds punten ter verbetering. De vraag is of dierentuinen ooit in staat zullen zijn om aan de natuurlijke behoeften van sommige diersoorten - zoals dolfijnen, panters, tijgers en ijsberen - te voldoen. De dierentuinen hebben steeds meer aandacht voor deze problemen, maar dat betekent niet dat de Dierenbescherming tevreden is. Daarom zullen wij zo mogelijk in overleg met de dierentuinen blijven streven naar verbetering van het welzijn van de dieren in deze parken.
De Dierenbescherming is geen voorstander van levende kerststallen. Vaak leven de dieren in provisorisch gebouwde en zeer beperkte stallen. Deze tijdelijke huisvesting is niet geschikt voor dieren zoals ezels en runderen. Door de beperkte ruimte kunnen de dieren niet op een natuurlijke manier reageren op allerlei verontrustende omstandigheden, zoals muziek, joelende kinderen, drukte en lawaai. Daarnaast is de veiligheid van de dieren een grote zorg. Door de aanwezigheid van stro en hooi is er een groot brandrisico. Meerdere keren zijn dieren bij dergelijke branden omgekomen. De Dierenbescherming pleit daarom voor kerststallen zonder levende dieren. Mocht toch besloten worden een levende kerststal neer te zetten, dan moet er in ieder geval op worden gelet dat er voldoende water en voer is, een zachte ondergrond om op te staan en te liggen, mensen de dieren niet aan kunnen raken en permanente bewaking om te voorkomen dat de dieren door vandalen worden mishandeld.
De Dierenbescherming vindt het trainen van dieren in orde, zolang het een positief effect op ze heeft, bijvoorbeeld doordat ze voldoende afleiding en beweging krijgen. Dit geldt voor gedomesticeerde dieren: dieren die al eeuwenlang door mensen worden gehouden en voor hun verzorging van de mens afhankelijk zijn. Niet-gedomesticeerde dieren moeten sowieso niet worden getraind, tenzij dit bevorderlijk is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren. Belangrijk is dat goed contact tussen mens en dier voorop staat, zoals bij gedrags- en gehoorzaamheidscursussen. Er moet dus niet te veel dwang worden toegepast om de dieren zover te krijgen dat ze de gevraagde taak uitvoeren. Het trainen moet diervriendelijk gebeuren, waarbij gewenst gedrag beloond wordt, er wordt dus niet gestraft. Degenen die zich professioneel bezighouden met het trainen van dieren (ook vrijwillige gedragsbegeleiders) moeten beschikken over voldoende, aantoonbare vakbekwaamheid. Trainingen waarbij chronische stress ontstaat, zijn niet acceptabel. Dit geldt ook voor trainingsmethoden en -hulpmiddelen die pijn, schade, verwondingen of angst veroorzaken. Hulpmiddelen moeten zeer beperkt worden gebruikt. Hulpmiddelen die schadelijk kunnen zijn bij ondeskundig gebruik (zoals de teletacband) mogen nooit voor trainingen worden gebruikt en uitsluitend door erkende gedragsdeskundigen als uiterst middel voor sociaal onaangepast gedrag. Nieuwe hulpmiddelen moeten getest worden op hun effect op dierenwelzijn, vooral de mate waarin ze pijn, stress en schade kunnen veroorzaken.
Het tijdelijk houden van dieren in een etalage is toegestaan. Het is wel van groot belang dat de eigenaar let op de weersomstandigheden. Bij felle zon op het raam kan het erg heet worden in een etalage. De Dierenbescherming vindt dat kuikens niet gebruikt zouden moeten worden als promotiemateriaal. De vogeltjes worden hierdoor gedegradeerd tot levenloze dingen, wat in strijd is met de eigenwaarde van het dier. Bovendien bestaat er geen enkele duidelijkheid over het uiteindelijke lot van de kuikens. De dieren kunnen in principe niet terug naar het bedrijf van oorsprong in verband met het grote risico van instroom van dierziekten. Worden kuikens toch als 'etalagemateriaal' gebruikt, dan vindt de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) dat de kuikens in ieder geval niet bereikbaar moeten zijn (afgeschermd moeten worden) voor het publiek. Vanzelfsprekend moeten de dieren goed verzorgd worden en water en voer krijgen. Als je ziet dat de dieren niet goed worden verzorgd, dan kun je het landelijke meldnummer 144 bellen.
Hengelen is eigenlijk een vorm van plezierjacht: er is geen goede reden te verzinnen waarom je vissen voor je plezier zou vangen, verwonden, hen angst en pijn te bezorgen of zelfs te doden. Realiteit is echter dat in Nederland ruim een miljoen mensen 'sportvissen'. Daaronder zijn veel mensen die niet deskundig en onzorgvuldig met vissen omgaan. De eerste prioriteit van de Dierenbescherming is de omstandigheden voor vissen stapsgewijs door voorlichting te verbeteren. Wat ons betreft verdwijnen dieronvriendelijke vangstmiddelen, viswedstrijden waarbij zo veel mogelijk dieren in zo kort mogelijke tijd moeten worden gevangen, en leefnetten/bewaarzakken waarin de vissen langere tijd ‘opgestapeld’ worden.
De Dierenbescherming is tegen het vangen en houden van zeezoogdieren voor show en vermaak, zoals in dolfinaria en zeeaquaria. De huisvesting voor de zeezoogdieren is onvoldoende in vergelijking met de enorme ruimte die de dieren in de natuur gebruiken. Uitdagingen in gevangenschap zijn bijna niet waar te maken. Het sonargebruik van de dieren raakt ‘overbelast’ en stopt met functioneren. Ook geeft de voortplanting in gevangenschap problemen: de jongen worden doodgeboren of sterven kort na geboorte.
De Dierenbescherming respecteert kunstuitingen, maar vindt dat ook in de kunst respectvol met (dode) dieren moet worden omgegaan. Kunstenares Katinka Simonse (Tinkebell) gebruikt in haar kunstwerken dode dieren. Hoewel de dieren niet speciaal voor dit doel worden gedood, wijzen wij de manier af waarop de dieren tentoongesteld worden. Wij hebben de kunstenares verzocht op een dierwaardige manier met dieren in haar werk om te gaan. Helaas heeft dit contact geen resultaat gehad. Voor haar kunstwerken gebruikt zij nog steeds dode katten. Op haar website laat ze op een onsmakelijke manier zien hoe zij de dieren verwerkt tot kunst, zoals het villen van katten en gebruiken van de huiden om er tassen van te maken. De Dierenbescherming vindt dit verwerpelijk en dieronwaardig.

De huisvesting, verzorging, trainingsmethoden en het transport van dieren in circussen laat vaak veel te wensen over. Tijdens optredens moeten de dieren kunstjes vertonen, die zij onder dwang en met soms zeer dieronvriendelijke methoden krijgen aangeleerd. Daarnaast worden ze buiten de optredens en trainingen in zeer krappe, kale hokken gehuisvest, waarin ze ook vervoerd worden. Gezondheidsproblemen en stress zijn vaak het gevolg. De Dierenbescherming en Wilde Dieren De Tent Uit hebben tien jaar lang gestreden om wilde dieren uit het circus te krijgen, en met succes! Op 10 september 2015 gaat het verbod op wilde dieren in circussen in. Dankzij dit verbod is het niet langer toegestaan om als circus rond te reizen met wilde (zoog)dieren of hen kunstjes te laten vertonen.