Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen aan de Dierenbescherming. Over standpunten, dieren op straat, dieren in nood, lidmaatschap (lid worden, doneren en opzeggen) en nog veel meer.

Wil je dierenleed melden? Doe dat via het meldnummer 144

Heb je na bezoek aan onze website nog vragen? Raadpleeg dan hieronder onze veelgestelde vragen. Als je daar niet het juiste antwoord vindt, kun je contact opnemen met Service & Informatie via 088 81 13 000, of via het contactformulier. Service & Informatie is bereikbaar op werkdagen van 09.00 tot 17.00 uur.

Over doneren en lidmaatschap

  • Hoe kan ik lid worden?

    Elk jaar worden duizenden dieren mishandeld, verwaarloosd of zelfs totaal vergeten. Jouw steun aan de Dierenbescherming is hard nodig om deze dieren te helpen. Al met een vaste bijdrage vanaf € 3,- per maand geef je dieren een beter leven. Je kunt je hier aanmelden of bellen naar nummer 088 81 13 000. Als lid van de Dierenbescherming ontvang je vier keer per jaar het tijdschrift DIER.

  • Hoe geef ik een wijziging door?

    Ben je al lid of donateur van de Dierenbescherming en wil je je gegevens wijzigen? Dat kan telefonisch via 088 81 13 000.
  • Hoe steun ik de Dierenbescherming met een periodieke schenking?

    Wanneer je de Dierenbescherming regelmatig steunt, kan het aantrekkelijk zijn om dit vast te leggen in een overeenkomst. Als je de gift voor minimaal vijf jaar vastlegt, is deze namelijk aftrekbaar van de belasting. Dat betekent dat je door eenzelfde bedrag te schenken, meer aan de Dierenbescherming kunt geven. Lees hier meer.

  • Hoe beëindig ik mijn lidmaatschap of donateurschap?

    Opzeggen kan door te bellen met het team Service & Informatie via telefoonnummer 088 81 13 000. We vinden het heel spijtig dat je onze hulp aan dieren in nood niet meer wilt of kunt steunen. Maar natuurlijk respecteren wij je keuze en zijn we je zeer dankbaar voor je trouwe steun. Graag verwelkomen wij je in de toekomst weer als lid of donateur.

  • Hoe betaal ik mijn lidmaatschap?

    De contributie betaal je voor het lopende jaar. Als je lid wordt in de loop van het jaar, betaal je het volledige contributiebedrag van € 36,-, tenzij je maandelijks betaalt. Word je lid na 1 oktober, dan betaal je uitsluitend de contributie voor het volgende jaar. Je kunt de contributie op verschillende manieren betalen:

    • Met automatische incasso: dit is veruit de makkelijkste manier voor beide partijen. Het is voor de Dierenbescherming ook goedkoper, omdat wij geen betalingsverzoek(en) hoeven te sturen. Deze besparing komt weer ten goede aan de dieren. Je hebt de keuze om per maand of per jaar te betalen.
    • Met acceptgiro: aan het begin van het jaar krijg je een betalingsverzoek met acceptgiro toegestuurd. Zo nodig volgt enige tijd later nog een herinnering.
  • Hoe steun ik de Dierenbescherming met een periodieke schenking?

    Wanneer je de Dierenbescherming regelmatig steunt, kan het aantrekkelijk zijn om dit vast te leggen in een overeenkomst. Als je de gift voor minimaal vijf jaar vastlegt, is deze namelijk aftrekbaar van de belasting. Dat betekent dat je door eenzelfde bedrag te schenken, meer aan de Dierenbescherming kunt geven. Lees hier meer.

  • Kan ik met mijn bedrijf lid worden van de Dierenbescherming?

    Jazeker, je kan ons als bedrijf steunen met een bijdrage vanaf € 100,- per jaar. Je ontvangt dan vier keer per jaar het magazine DIER in een oplage van vijf exemplaren. Wil je als bedrijf meer doen dan alleen een lidmaatschap, lees dan hier over alle mogelijkheden.

  • U heeft het CBF-keur voor goede doelen. Wat houdt dit precies in?

    Aan het CBF-Keur kan het publiek zien dat wij een betrouwbare, steunwaardige organisatie zijn. De onafhankelijke stichting Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) beoordeelt of goede doelen op een verantwoorde manier geld ophalen en of ze dat geld ook goed besteden. Om het CBF-Keur te verkrijgen moeten instellingen voldoen aan strenge criteria voor bestuur, beleid, fondsenwerving, voorlichting en communicatie, besteding van de middelen en verantwoording.

    Laten de fondsenwervers duidelijk zien wie zij zijn en voor welk doel of activiteit ze geld ophalen? En gaat het geld daar ook daadwerkelijk naartoe? Spelen zij niet zonder toestemming gegevens van donateurs door aan derden? Allemaal zaken waar het CBF naar kijkt. Ook beoordeelt het CBF of de gemaakte kosten voor beheer en administratie niet te hoog zijn. Mede daarom moeten goede doelen een kwaliteitssysteem hebben om hun bestedingen bij te houden, te evalueren en waar nodig bij te stellen. Uiteraard moeten zij ieder jaar een jaarverslag en jaarrekening publiceren, waarin zij (financiële) verantwoording afleggen.
    Het CBF-Keur wordt afgegeven voor een periode van vijf jaar, waarbij jaarlijks wordt getoetst of de organisatie nog aan de eisen voldoet.

    Lees meer op de website van het CBF.

Over dieren in nood

  • Waar kan ik melding doen van dierenleed?

    Als je een dier in nood ziet, of melding wilt doen van dierenmishandeling of -verwaarlozing kan je bellen met het landelijke meldnummer 144 dat is ondergebracht bij de Landelijke Eenheid (van de Nationale Politie). Speciaal opgeleide politiemensen beoordelen de meldingen en sturen zo nodig het regionale politiekorps op een dier in nood af. Ook kunnen zij een dierenambulance of de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) voor gezelschapsdieren en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor bedrijfsmatig gehouden dieren inschakelen.

    Om de melding zo goed mogelijk te kunnen registreren word je in elk geval gevraagd om gegevens over:

    • het (de) dier(en)
    • de exacte locatie
    • de eigen waarneming
    • jezelf


    Als melder krijg je de garantie dat er zorgvuldig en conform de Wet bescherming persoonsgegevens met je gegevens wordt omgesprongen.

  • Waarom kan de LID in sommige gevallen niet ingrijpen?

    Meldingen van dierenverwaarlozing en -mishandeling komen binnen bij het landelijke meldnummer 144. Vanuit 144 worden de meldingen uitgezet bij verschillende handhavende organisaties. Een deel van de meldingen komt bij de LID terecht.

    De LID wordt onder andere op het gebied van gezelschapsdieren ingeschakeld om bestuursrecht toe te passen. Bestuursrecht is gericht op het herstellen van de overtreding. Als herstel mogelijk is, worden er met de eigenaar concrete afspraken gemaakt voor de verbetering van het dierenwelzijn ter plaatse. De naleving daarop wordt gecontroleerd door de LID. In ernstige gevallen, waarin er geen uitzicht is op verbetering van de situatie, kunnen de dieren in bewaring worden genomen. Het weghalen van dieren gebeurt echter niet zomaar en vindt altijd plaats in nauw overleg met RVO.nl. In een hersteltraject kan het voor betrokkenen lijken alsof er niets gebeurt, maar achter de schermen wordt er dan wel hard gewerkt aan het verbeteren van dierenwelzijn.

    Er zijn ook situaties denkbaar waarbij het dierenwelzijn niet optimaal is, maar waarbij er geen dierenwelzijnswetten worden overtreden. Deze meldingen komen doorgaans terecht bij de Vrijwillige Medewerkers Buitendienst. Zij hebben geen wettelijke bevoegdheden, maar kunnen veelal door hun ervaring een helpende hand bieden.

    Als je melding wilt doen van dierenleed, bel dan het landelijke meldnummer 144.

    Lees hier meer veelgestelde vragen over de Landelijke Inspectiedienst

    Of kijk hier over de pagina over de Landelijke Inspectiedienst

  • Wat doe ik als ik mijn huisdier kwijt ben?

    Zoek allereerst in je eigen omgeving, en vraag buren en buurtgenoten om je te helpen. Met name katten kunnen soms een paar dagen zoek zijn, zonder dat je je meteen zorgen hoeft te maken. Je kunt in de buurt affiches ophangen met een foto van je dier en in het plaatselijke asiel of bij de Dierenbescherming navragen of je dier is binnengebracht.

Wat vindt de Dierenbescherming van...

  • Hoe denkt de Dierenbescherming over het houden van dieren in dierentuinen?

    De moderne dierentuin stelt zich een aantal doelen, zoals conservatie, onderzoek, opvang, educatie en recreatie. Ook is er oog voor huisvesting die tegemoet komt aan de behoeften van het dier. Toch zijn er voor wat betreft de huisvesting, verzorging, fokken en uitwisseling met andere dierentuinen nog steeds punten ter verbetering. De vraag is of dierentuinen ooit in staat zullen zijn om aan de natuurlijke behoeften van sommige diersoorten - zoals dolfijnen, panters, tijgers en ijsberen - te voldoen. De dierentuinen hebben steeds meer aandacht voor deze problemen, maar dat betekent niet dat de Dierenbescherming tevreden is. Daarom zullen wij zo mogelijk in overleg met de dierentuinen blijven streven naar verbetering van het welzijn van de dieren in deze parken.

  • Hoe denkt de Dierenbescherming over levende dieren in kerststallen?

    De Dierenbescherming is geen voorstander van levende kerststallen. Vaak leven de dieren in provisorisch gebouwde en zeer beperkte stallen. Deze tijdelijke huisvesting is niet geschikt voor dieren zoals ezels en runderen. Door de beperkte ruimte kunnen de dieren niet op een natuurlijke manier reageren op allerlei verontrustende omstandigheden, zoals muziek, joelende kinderen, drukte en lawaai. Daarnaast is de veiligheid van de dieren een grote zorg. Door de aanwezigheid van stro en hooi is er een groot brandrisico. Meerdere keren zijn dieren bij dergelijke branden omgekomen. De Dierenbescherming pleit daarom voor kerststallen zonder levende dieren. Mocht toch besloten worden een levende kerststal neer te zetten, dan moet er in ieder geval op worden gelet dat er voldoende water en voer is, een zachte ondergrond om op te staan en te liggen, mensen de dieren niet aan kunnen raken en permanente bewaking om te voorkomen dat de dieren door vandalen worden mishandeld.

  • Hoe denkt de Dierenbescherming over tentoonstellingen met huisdieren?

    Tentoonstellingen met dieren worden vrijwel altijd voor menselijke doeleinden gehouden. Er is geld en/of status te winnen door zo goed mogelijk voor de dag te komen met het tentoongestelde dier. Hierdoor is het dierenwelzijn ondergeschikt. Zowel in fokkerij, presentatie, manier van houden en verzorgen. De Dierenbescherming is daarom tegen tentoonstelling met winst- en/of statusbejag en is zeer kritisch op tentoonstellingen die buiten deze categorie vallen.

  • Mogen dierenwinkels paaskuikens in hun etalage zetten en/of verkopen?

    Het tijdelijk houden van dieren in een etalage is toegestaan. Het is wel van groot belang dat de eigenaar let op de weersomstandigheden. Bij felle zon op het raam kan het erg heet worden in een etalage. De Dierenbescherming vindt dat kuikens niet gebruikt zouden moeten worden als promotiemateriaal. De vogeltjes worden hierdoor gedegradeerd tot levenloze dingen, wat in strijd is met de eigenwaarde van het dier. Bovendien bestaat er geen enkele duidelijkheid over het uiteindelijke lot van de kuikens. De dieren kunnen in principe niet terug naar het bedrijf van oorsprong in verband met het grote risico van instroom van dierziekten. Worden kuikens toch als 'etalagemateriaal' gebruikt, dan vindt de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) dat de kuikens in ieder geval niet bereikbaar moeten zijn (afgeschermd moeten worden) voor het publiek. Vanzelfsprekend moeten de dieren goed verzorgd worden en water en voer krijgen. Als je ziet dat de dieren niet goed worden verzorgd, dan kun je het landelijke meldnummer 144 bellen.

  • Waarom is het dieronvriendelijk om te hengelen?

    Hengelen is eigenlijk een vorm van plezierjacht en wij kunnen geen goede reden verzinnen waarom je vissen voor je plezier zou vangen, verwonden, en angst en pijn zou bezorgen. Het liefst zien we dat mensen helemaal niet hengelen, maar wat echt snel moet verdwijnen zijn dieronvriendelijke vangstmiddelen, viswedstrijden en leefnetten/bewaarzakken waarin de vissen langere tijd ‘opgestapeld’ worden.

  • Wat vindt de Dierenbescherming van dieren die gehouden worden in dolfinaria?

    De Dierenbescherming is tegen het vangen en houden van zeezoogdieren voor show en vermaak, zoals in dolfinaria en zeeaquaria. De huisvesting voor de zeezoogdieren is onvoldoende in vergelijking met de enorme ruimte die de dieren in de natuur gebruiken. Uitdagingen in gevangenschap zijn bijna niet waar te maken. Het sonargebruik van de dieren raakt ‘overbelast’ en stopt met functioneren. Ook geeft de voortplanting in gevangenschap problemen: de jongen worden doodgeboren of sterven kort na geboorte.

  • Wat vindt de Dierenbescherming van kunst met (dode) dieren?

    De Dierenbescherming respecteert kunstuitingen, maar vindt dat ook in de kunst respectvol met (dode) dieren moet worden omgegaan. Kunstenares Katinka Simonse (Tinkebell) gebruikt in haar kunstwerken dode dieren. Hoewel de dieren niet speciaal voor dit doel worden gedood, wijzen wij de manier af waarop de dieren tentoongesteld worden. Wij hebben de kunstenares verzocht op een dierwaardige manier met dieren in haar werk om te gaan. Helaas heeft dit contact geen resultaat gehad. Voor haar kunstwerken gebruikt zij nog steeds dode katten. Op haar website laat ze op een onsmakelijke manier zien hoe zij de dieren verwerkt tot kunst, zoals het villen van katten en gebruiken van de huiden om er tassen van te maken. De Dierenbescherming vindt dit verwerpelijk en dieronwaardig.

  • Wat vindt de Dierenbescherming van wilde dieren in het circus?

    De huisvesting, verzorging, trainingsmethoden en het transport van dieren in circussen laat vaak veel te wensen over. Tijdens optredens moeten de dieren kunstjes vertonen, die zij onder dwang en met soms zeer dieronvriendelijke methoden krijgen aangeleerd. Daarnaast worden ze buiten de optredens en trainingen in zeer krappe, kale hokken gehuisvest, waarin ze ook vervoerd worden. Gezondheidsproblemen en stress zijn vaak het gevolg. De Dierenbescherming en Wilde Dieren De Tent Uit hebben tien jaar lang gestreden om wilde dieren uit het circus te krijgen, en met succes! Het verbod op wilde dieren in circussen is op 10 september 2015 ingegaan. Dankzij dit verbod is het niet langer toegestaan om als circus rond te reizen met wilde (zoog)dieren of hen kunstjes te laten vertonen.

  • Hoe denkt de Dierenbescherming over veemarkten?

    Veemarkten zijn niet meer van deze tijd en moeten worden afgeschaft. Het inladen, vervoeren, uitladen, het verblijf op de veemarkt, weer inladen, vervoer en weer uitladen, geeft te veel stress voor de dieren. Zolang bedrijven niet gesloten zijn of in één-op-één-relaties werken, moet de handel dan ook zo veel mogelijk via moderne informatie- en communicatietechniek plaatsvinden. Een dier zou niet meer dan twee maal verplaatst mogen worden: naar een andere veehouderij en naar het slachthuis.

  • Hoe denkt de Dierenbescherming over duivensport?

    Met de duivensport zijn grote belangen gemoeid, zoals geld en aanzien. De Dierenbescherming vindt daarom de kans op aantasting van de gezondheid en het welzijn van de duiven veel te groot. Het zit in de aard van duiven om te willen vliegen, maar de Dierenbescherming is tegen het vliegen over te lange afstanden. Het transport van duiven moet tot maximaal acht uur (vijfhonderd kilometer) worden beperkt, en liever nog minder (maximaal 250 kilometer). De Dierenbescherming keurt wedstrijdvluchten af waarbij (geldelijk) gewin wordt geplaatst boven de gezondheid en het welzijn van de dieren. Ook kan de Dierenbescherming zich niet vinden in het uitsluitend houden van snelle en foktechnisch goede wedstrijdduiven, terwijl de overige duiven worden afgedankt of als slachtduiven worden afgevoerd. Jonge duiven en/of duiven die niet goed zijn voorbereid mogen niet ingezet worden voor wedstrijden; zij lopen grote kans onderweg te verdwalen of te sterven. Tenslotte is de Dierenbescherming tegen het gebruik van doping (bijvoorbeeld corticosteroïden om de rui te remmen) en trucs (zoals een broedende duif die op een vlucht gezet).

  • Hoe staat de Dierenbescherming tegenover paardensport?

    De Dierenbescherming staat zeer kritisch tegenover sport met dieren en dat geldt in principe ook voor de paardensport. Een paard heeft echter wel behoefte aan beweging, sociaal contact en afleiding. Met paardrijden kom je tegemoet aan deze behoefte. Hierbij mag van het dier echter geen bovenmatige inspanning worden verlangd en zijn gezondheid en welzijn moeten worden gewaarborgd. De Dierenbescherming vindt paardensport acceptabel onder de volgende voorwaarden:

    • De dieren zijn qua aard en conditie geschikt voor sport.
    • Dieronvriendelijke trainingsmethoden als barreren, elektrische stroomstoten en pijnlijke bitten zijn uit den boze.
    • De trainingen zijn voor toezicht en controle toegankelijk.
    • Bij het trainen en sporten wordt rekening gehouden met effecten op langere termijn: dieren worden na hun ‘sportcarrière’ afgetraind en begeleid, zodat ze weer ‘normaal’ kunnen functioneren.
    • Dieren mogen niet overbelast worden en nodeloos pijn of stress ondergaan.
    • Trainers hebben een bewijs van vakbekwaamheid (officieel diploma).
    • Voor, tijdens en na de wedstrijden vindt er een onafhankelijke geneeskundige controle plaats door een dierenarts. Zieke, geblesseerde of onder geneeskundig behandeling staande dieren mogen niet aan wedstrijden deelnemen.
    • Er mag geen doping worden gebruikt. Om dit te controleren worden er regelmatig deskundige, onafhankelijke dopingcontroles uitgevoerd.
    • Elk dier heeft een wedstrijdboekje met daarin een uitgebreid medisch rapport, maar ook de gevolgde trainingen en wedstrijden, behaalde resultaten, uitslagen, onderzoeken en dopingcontroles.
    • Er komen strenge reglementen voor onder andere trainingen, wedstrijden, deelname aan wedstrijden, parcours, bouw van hindernissen, weersomstandigheden, uitsluitingen en het uit de wedstrijd nemen, veterinaire en dopingcontroles.
    • Er komen sancties op onreglementair handelen.


  • Wat vindt de Dierenbescherming van sport met dieren?

    De Dierenbescherming staat zeer kritisch tegenover sport met dieren. Grote belangen als prijzengeld en aanzien zijn vaak doorslaggevend om dieren te gebruiken. Door dieronvriendelijke trainingsmethoden en overbelasting kunnen dieren ernstig in hun gezondheid en welzijn worden aangetast. Vaak worden dieren afgedankt als ze niet meer voldoende presteren. De Dierenbescherming vindt dat als er toch sporten met dieren worden georganiseerd, er strenge voorwaarden en reglementen moeten worden opgesteld om gezondheid en welzijn van de dieren te waarborgen. Middelen ter beïnvloeding of bevordering van de prestaties van dieren (onder andere pijnstillend, spierversterkend of stimulerend) zijn niet toegestaan en worden beschouwd als dierenmishandeling. Bij alle sporten en wedstrijden waar dieren aan deelnemen, verricht een onafhankelijke dierenarts een officiële dopingcontrole. Tenslotte zouden dieren die absoluut niet geschikt zijn voor training, sport of werk, daarvoor niet moeten worden gebruikt.

  • Zijn honden gebaat bij hondensport?

    De Dierenbescherming staat zeer kritisch tegenover sport met dieren. Hoewel dat in principe ook geldt voor de hondensport, staan wij positief tegenover behendigheidsporten en andere sporten of spelletjes met honden, waarbij geen wedstrijdelement of winstbejag aanwezig is. Natuurlijk staat gezondheid en welzijn van de honden voorop. Honden hebben doorgaans veel beweging nodig en aan het spel kunnen zowel honden als eigenaren veel plezier beleven. Er zijn diverse vormen van hondensport:

    • De Dierenbescherming vindt recreatieve triatlon voor honden acceptabel als er aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan: de deelnemende honden (en bazen) moeten getraind zijn; training en wedstrijdreglementen moeten diervriendelijk zijn; er mag geen bovenmatige inspanning van de dieren worden verlangd; er moet voldoende rust zijn; de gezondheid en het welzijn mogen niet worden aangetast; parcours- en weersomstandigheden (watertemperatuur, kou, wind, regen, of hitte) moeten zijn afgestemd op de te leveren prestatie; een dierenarts moet voor, tijdens en na de triatlon controles uitvoeren.
    • De Dierenbescherming is tegen windhondenrennen.
    • Wat betreft de sledehondensport: volgens de wet mogen hiervoor alleen de Siberische husky, de Alaskan malamute, de Groenlandse hond, de Samojeed en de eskimohond als trekhond worden gebruikt. Andere honden zouden niet ingezet moeten worden voor sledehondensport.
    • De Dierenbescherming vindt jachthondensport alleen acceptabel als het spelelement overheerst en er géén dieren bejaagd worden.
    • Bij veedrijven maakt de Dierenbescherming verschil tussen het beroepsmatige gebruik van honden bij vee drijven en/of schapen hoeden (zoals de schapenkudde op de hei) en de sportieve en wedstrijdmatige variant. De beroepsmatige variant vinden we acceptabel, maar de wedstrijdmatige variant wijzen we af.

Over dieren op straat

  • De Dierenbescherming is tegen de jacht, maar mogen schadelijke dieren zoals muizen en (muskus)ratten wel gedood worden?

    Ratten en muizen zijn niet alleen maar 'schadelijk', en hebben wel degelijk nut: ze ruimen afval op, zorgen voor de verspreiding van zaden en hebben hun plek in de voedselketen, als voedsel voor roofdieren. Maar ze kunnen inderdaad ook flinke schade aanrichten. Ze knagen niet alleen aan voedsel, maar bijvoorbeeld ook aan elektriciteitsdraden, waardoor kortsluiting kan ontstaan. Ook kunnen er door hun graafactiviteiten verzakkingen ontstaan. En met hun uitwerpselen kunnen ze ziekten overbrengen, zoals de Ziekte van Weil en varkenspest.

    Alternatieven voor doden
    Om deze schade zo veel mogelijk te beperken, pleit de Dierenbescherming in eerste instantie voor alternatieven zoals:

    • preventie,
    • hygiëne,
    • goed onderhoud en isolatie van huizen,
    • afdoende afscherming van voedsel en voedselafval,
    • voortplantingsregulatie en
    • roofdieren zoals de vos en de kat hun gang laten gaan.

    Vallen, klemmen e.d.
    De Dierenbescherming is tegen vallen, klemmen, verdrinkingsmethoden en veel chemische middelen. Ze betekenen een lange lijdensweg voor de dieren en vormen grote risico's voor mensen (kinderen) en andere (huis)dieren. Het doden van de muizen en ratten is dweilen met de kraan open. Voor elke dode rat of muis komen er minstens net zoveel terug, omdat het territoriumdieren zijn die zich extra snel voortplanten als er lege plekken ontstaan.

    Muskusrat
    Alleen al in 2009 werden 155.000 muskusratten gedood omdat ze schade zouden veroorzaken aan dijken en oevers. De noodzaak van dit massale doden is echter nooit wetenschappelijk bewezen. Zo staat niet vast dat er een relatie is tussen het aantal muskusratten en de schade aan dijken en oevers. Ook is er geen wetenschappelijk bewijs voor dat het aantal muskusratten explosief zal groeien als we stoppen met het doden.
    De Dierenbescherming, Bont voor Dieren en de Faunabescherming hebben in februari 2011 de waterschappen opgeroepen te stoppen met het doden van muskusratten. In het rapport 'Op alternatieve wijze schade voorkomen' stellen zij voor dijken zodanig aan te passen, dat muskusratten en andere gravers niet meer kunnen graven. Verder worden mogelijkheden beschreven om de kwaliteit van oevers en dijken in de gaten te houden, bijvoorbeeld met sensoren. Een online petitie om dit kracht bij te zetten, werd door bijna 11.000 mensen ondertekend.

  • Hoe kan duivenoverlast worden bestreden?

    Het bejagen of doden van dieren helpt niet om overlast tegen te gaan. Het is dieronvriendelijk, kost veel geld en het helpt aantoonbaar niet. Overlast door stadsduiven kun je tegengaan door de gebieden waar je ze niet wilt hebben onaantrekkelijk te maken en tegelijkertijd gebieden aantrekkelijk te maken waar ze geen problemen veroorzaken, de zogeheten gedooggebieden. Dit kost meestal een eenmalige investering, maar heeft een langdurig effect. Het onaantrekkelijk maken kan bijvoorbeeld door de hoeveelheid beschikbaar voedsel, zoals etensresten, te verminderen en te zorgen dat de dieren zich niet of nauwelijks kunnen nestelen. Plekken waar de dieren welkom zijn, kunnen aantrekkelijk worden gemaakt door het aanleggen van voerplaatsen en nestgelegenheid (duiventillen). Op deze locaties kan de overheid eventueel selectief en gecontroleerd ingrijpen in de voortplanting van de dieren door eieren te schudden of te vervangen.

  • Ik heb veel zwerfkatten in mijn buurt, kan de Dierenbescherming helpen?

    Elk jaar worden er duizenden katten gedumpt door mensen die er niet meer voor kunnen of willen zorgen. Een kat die wordt achtergelaten, zal verwilderen en zich aansluiten bij andere zwerfkatten. Zo ontstaan er populaties, waarbinnen veelvuldig nesten worden geboren. Dit levert niet alleen overlast op voor de omgeving, ook voor de dieren is het leed niet te overzien. De Dierenbescherming zet zich in om het zwerfkattenprobleem op diervriendelijke wijze beheersbaar te maken. Een diervriendelijke en succesvol gebleken methode is de TNR-methode (Trap, Neuter, Return): het vangen, castreren en weer terugplaatsen van de katten. Gevangen kittens worden niet teruggeplaatst: deze diertjes worden gesocialiseerd in gastgezinnen, waarna er een eigenaar voor ze wordt gezocht. Teruggeplaatste dieren veroorzaken veel minder overlast doordat ze gecastreerd zijn, want ze sproeien, vechten en krijsen niet meer. Overal in het land zijn werkgroepen van de Dierenbescherming actief met deze methode. Het doden van katten lost niets op, omdat iedere opengevallen plaats meteen weer door een nieuw dier wordt ingenomen.

  • Zijn er diervriendelijke manieren om muizen uit huis te houden?

    Jazeker, de beste methode is om je huis goed schoon te houden. Zorg dat er zo min mogelijk kruimels en andere etensresten achterblijven. Als je dit consequent doet, heb je weinig last van muizen. Eventueel kun je muizen vangen met een muizenvangkooi of een kastval. Daarin vang je de muis levend en kan je hem (binnen 24 uur) ergens buitenshuis loslaten.

  • Zijn er veel zwerfdieren in Nederland en wie is daar verantwoordelijk voor?

    Hoeveel zwervende dieren er in ons land zijn, is niet precies bekend. Het aantal loopt in de vele tienduizenden. Katten en konijnen vormen de grootste groep zwervers. Jaarlijks vangen onze asielen zo'n 25.000 dieren op. Ze waren verdwaald, gedumpt of er kon door omstandigheden niet meer voor ze worden gezorgd. Het aantal konijnen dat in de opvang terechtkomt, groeit. Helaas kunnen we daarvan geen exacte cijfers geven.

    Gemeenten hebben de wettelijke plicht om gevonden voorwerpen, waartoe gek genoeg ook dieren behoren, veertien dagen te bewaren, zodat de rechtmatige eigenaar tijd heeft om zijn eigendom terug te halen. Honden en katten die zwervend op straat worden aangetroffen, moeten om die reden twee weken in de opvang blijven.

Meer over dit onderwerp